Geschiedenis

     

 

 

Inleiding & verantwoording

Op deze pagina staat de geschiedenis van Milsbeek beschreven. 

Bij gelegenheid van het 50-jarig jubileum van de parochie heeft dhr. W. Bindels veel informatie verzameld en beschreven in het gedenkboekje "Parochie Milsbeek 1930-1980, Gouden Huis". Die gegevens, en de website van Gennep vormen de basis voor deze geschiedschrijving.

Overzicht van de onderwerpen

(klik op een onderwerp om er direkt naar toe te gaan)

Belangrijke historische jaartallen

Geschiedenis van de regio

Milsbeek kerkelijk gezien

Ontstaan van de naam Milsbeek

De late 19e eeuw

Opkomst van industrie in Milsbeek

De eerste wereldoorlog

Ontginning van veen- en heidegebieden

Aanzet tot dorpsvorming

Opkomst van verenigingsleven

Het initiatief voor eigen kerk en school

Oprichting van de parochie Milsbeek

De bouwplaats

Het eerste functioneren van de parochie

Milsbeek in de crisisjaren

De pottenbakkers in Milsbeek

Oorlogsjaren

Wederopbouw en groei

Volgroeide gemeenschap

Historische herkomst van namen

 

Belangrijke historische jaartallen

Bronnen o.a. Gemeente Gennep & gedenkboekje "Parochie Milsbeek 1930-1980"

De jaartallen betreffen Milsbeek, alsmede het gebied waar Milsbeek onder viel voordat het Milsbeek werd.

ca. 3000 v.C. Jagers en trekkers in gebied Bloemenstraat
ca. 1000 Gennep en ommelanden onder de Heren van Gennep.
1329 Naam Milsbeck in renten-register Gräfenthal
1389 Boerenhoeve "Supra Milsbeke"
1442 Gennep en ommelanden bestuurlijk onder het hertogdom Kleef.
1458

Vermelding van tolstation "opter Milsbeke opter Stenenbrugge"

1542 Gennepse schepenakte vermeldt een buurtkapel van O.L. Vrouw op gebied dat nu Milsbeek is. 
1597 Rampzalige brand verwoest de hele stad Gennep op enkele huizen na. Alle archiefstukken van de regio gaan verloren.
1609 Gennep e.o. onder het gezag van Johan Sigismund van Brandenburg.
1622 Buurtkapel O.L.Vrouw afgebroken in verband met de belegering van het Genneperhuis.
Begin 17e eeuw Milsbeek staat vermeld op een landkaart van Nicolaes van Geelkercken.
1641 Genneperhuis belegerd en na ruim zeven weken ingenomen door Frederik Hendrik, prins van Oranje.
1672 De vestingwerken van het Genneperhuis door de Fransen verwoest.
1712 De vestingwerken van het Genneperhuis volledig ontmanteld en gesloopt.
1731 In regio Gennep wordt per half augustus 1731 begonnen met het opmeten en in kaart brengen van alle land voor het Kleefs Kadaster.
1798 Inlijving bij Frankrijk onder Napoleon Bonaparte.
1798 Invoering van de Burgerlijke Stand.
1801 De parochie Gennep gaat tot het nieuw opgericht bisdom Aken behoren.
1815 Op het Wener Congres wordt beslist, dat een smalle strook grond in Noord Limburg (o.a. Gennep) als barrièregebied bij Nederland gaat behoren.
1830 Gennep en omstreken onder het koninkrijk België.
1839 Terugkeer naar het koninkrijk Nederland.
1845

Aanleg van de verkeersweg Nijmegen-Maastricht over Gennep 

(= N271).

1895 Verlegging maasbedding.
1898 Eerste industrie in Milsbeek: de steenfabriek.
1909 Bouw eerste graanmolen in Milsbeek.
1913

De tramlijn Nijmegen- Gennep- Venlo, de Maasbuurt Spoorweg, 

in bedrijf.

1914-1918

Door de eerste wereldoorlog en de bijbehorende schaarste in

Duitsland, verrijkt men zich "op de Milsbeek" door over de grens 

te smokkelen.

1923 Bouw graanmolen aan de Rijksweg.
1924 Oprichting fanfare, het latere Crescendo.
1928

Op 28 juni wordt voetbalvereniging BVV opgericht, later R.K.S.V. 

Milsbeek genaamd, en sinds 1998 S.V. Milsbeek, afdeling voetbal.

1930 Oprichting nieuwe parochie Milsbeek. Kerk & school worden gebouwd.
1931 Op 1 december wordt de Milsbeekse school in gebruik genomen.
1932 Oprichting van toneelvereniging in november, later genaamd Ontspanning Na Arbeid.
1940 Het Duitse leger overschrijdt bij Ven-Zelderheide de grens; Nederland in oorlog met Duitsland.
1944 Alle burgers van Gennep en omstreken moeten in oktober evacueren.
1945 Geleidelijke terugkeer van de burgers uit hun evacuatieadressen.
1948 Kleuterschool gestart in Milsbeek in een noodwoning.
1954 Schuttersgilde St. Lambertus wordt op 8 augustus van dit jaar (her-)opgericht.
1955 Bouw nieuwe kleuterschool.
1956 Gescheiden meisjes- en jongensspeelplaatsen verdwijnen op de Milsbeekse school.
1957 Oprichting oudercomité.
1966

Op 26 februari wordt korfbalvereniging SPES opgericht, 

sinds 1998 S.V. Milsbeek, afdeling korfbal.

1973 Gemeentelijke herindeling in Noord-Limburg: de gemeenten Gennep en Ottersum worden opgeheven en met het kerkdorp Heijen uit de gemeente Bergen samengevoegd binnen één nieuwe gemeente Gennep.
1979 Tennisvereniging De Milsbeek wordt op 22 januari 1979 opgericht.
1993 Gennep en omstreken wordt getroffen door een van de ergste watersnoden uit de 20ste eeuw.
2001 18 augustus 2001: De gemeente Gennep stemt ermee in dat het gebied rond de kasteelruïne Genneperhuis bij Milsbeek een beschermd archeologisch rijksmonunt wordt.
   

Geschiedenis van de regio

 

Landschapsvorming: De voorhistorie

In de voorhistorische tijd - dat zijn de talrijke eeuwen die er waren voordat er schriftelijke aantekeningen werden gemaakt - bestond Noord-Limburg uit een grote woeste rivierenmassa. Dit was niet slechts de Maas, maar ook de Rijn, welke laatste rivier zich langs de zuidrand van de stuwheuvel voortbewoog en zich ongeveer ter hoogte van het huidige dorp Milsbeek met de Maas verenigde. De al genoemde stuwwal is gevormd doordat ijsmassa's uit het noorden grote massa's grond met geweldige krachten voor zich uitstuwden. De Rijn werd door die heuvelrug gedwongen in de richting van de Maas.

Toen het ijs gesmolten was, doorbrak de Rijn die heuvelrug en verdween zo uit Noord-Limburg. Wel bleef er nog een zijarm op de oude plaats stromen, maar in het begin van onze jaartelling schijnen de Romeinen door een dam de oude loop van de Rijn te hebben afgesloten.Vanaf die tijd stroomt hier vanuit Duitsland nog slechts de Niers. 

 

 

Landschapsvorming: Verlegging van de Niers

Men moet evenwel niet denken dat de Niers altijd de bedding heeft gehad die zij nu heeft en tengevolge waarvan zij juist ten noorden van het Genneperhuis in de Maas uitmondt. De Niers schijnt vroeger in elk geval ook onder langs de heuvelrug te zijn gelopen naar Plasmolen, maar deze loop is eveneens door een dam ongedaan gemaakt. Dit moet zijn gebeurd nabij de grenspost Grünewald, welk gebied nu nog altijd "den Dam" heet. Ook de siepen, die in Milsbeek noordoostelijk van de Langstraat en de Onderkant hebben gelegen, moeten overblijfselen zijn van een tak van de Niers. Dit is nu nog wel te zien aan de laagte, die zich helemaal uitstrekt via Aaldonk naar het dorp Ven-Zelderheide. Dat de huidige plaats van samenkomst van de Niers met de Maas juist ten noorden van het Genneperhuis een kunstmatige is, is ook zeer duidelijk in het terrein te zien. Deze bedding is gegraven ter verdediging van het Genneperhuis. De oude bedding heeft daar vroeger waarschijnlijk tussen de Maas en de Bloemenstraat naar Middelaar toe gelopen.

 

Bewoning: Romeinen en Franken

De eerste schriftelijke bronnen over de bewoners van onze streken stammen uit de eerste eeuw na Christus, de tijd dat de Romeinen hier aanwezig waren. Er moet hier toen door Milsbeek de door de Romeinen op de oostelijke Maas­oever aangelegde weg hebben gelegen die van Aken via Venlo naar Gennep leidde en ongeveer ter hoogte van de ruïne van het Genneperhuis naar Groesbeek moet zijn afgebogen. De Romeinen werden hier later weer verdreven door de Franken. Een van de groepen, die hiertoe behoorden en met name deze streek bewoonden, waren de Hattuariërs. Zij woonden niet in steden maar op hoven of hoeven, die zij hun eigen naam gaven. In deze tijd is Ottersum bekend onder de naam Odemarsheim. In de buurt van Nijmegen lag het trefpunt tussen de woongebieden van de Franken, de Friezen (noordelijken) en de Saksen (oostelijken). De delta van de grote rivieren was eeuwenlang een twistpunt tussen de 3 volksstammen. Het gebied rondom Nijmegen was dan ook herhaaldelijk een strijdterrein. Ook later is dit weer het geval geweest bij de invallen van de Noormannen, die gepaard gingen met grote strooptochten.

 

 

Bewoning: De middeleeuwen

Het schijnt verder zo te zijn dat de Graven van Kleef sinds het midden van de elfde eeuw belast waren met de voogdij over deze streek en feit is dat in 1418 Adolf van Kleef het gebied in pand kreeg van Reinold IV van Gelder. Altijd is er maar weer gevochten in deze streek. Zo is Milsbeek ook duidelijk het strijdtoneel geweest van de 80-jarige oorlog die woedde van 1568 tot 1648. De bekendste gebeurtenis van die 80-jarige oorlog vond nog juist buiten Milsbeek plaats. Het was de slag op de Mookerheide op 14 april 1574. Wel daadwerkelijk het strijdtoneel is Milsbeek geweest tijdens de verovering van het Genneperhuis op de Spanjaarden. Het Genneperhuis, waarvan de verdedigingswerken genaamd het hoorn- of herderwerk op Milsbeeks gebied lagen, was in 1614 in handen gekomen van de Spaanse legers. In 1641 werd het na lange strijd door de legers van de Staatsen op de Spanjaarden heroverd. Een belangrijk gedeelte van de aanvalslinie lag op Milsbeeks gebied en de aanval werd ook vanaf Milsbeek uitgevoerd. Straatnamen als Kanonskamp, Schuttersplein en Schietberg (deze laatste ligt overigens op de verkeerde plaats, want de eigenlijke Schietberg ligt tussen Schoolstraat en Oudebaan) herinneren hier nog aan. Ook de naam "de Dood" van een veld langs de Bloemenstraat is wellicht een overblijfsel hiervan. De grote kanonskogels, die werden gebruikt bij de beschieting, zijn in latere jaren nog op diverse plaatsen gevonden.  

 

Milsbeek kerkelijk gezien

voordat er sprake was van een parochie

 

Aartsbisom Keulen

Keulen was vroeger de metropool van Noord-West Europa op kerkelijk gebied. Onze streek behoorde in die tijd dan ook tot het aartsbisdom Keulen. Dit bleef zo tot 1559 toen onder Philips II door de Paus een landelijke hiërarchie werd opgericht voor de 17 Nederlandse gewesten. Het gebied rond Gennep behoorde echter niet tot die 17 Nederlandse gewesten, maar tot het gebied van KIeve en bleef tengevolge daarvan tot 1802 behoren tot het bisdom Keulen. Het heeft geduurd tot het jaar 700 alvorens werd overgegaan tot de stichting van vele plattelandskerken.

 

 

De stichting van plattelandskerken

Ook hier in de omgeving in historisch bekende plaatsen als Gennep, Heyen, Middelaar en Mook werden al vroeg parochies gesticht. Het gebied van Ottersum en Milsbeek behoorde tot de parochie Gennep. De vaak optredende hoge waterstand van de Niers maakte het dikwijls echter onmogelijk om de kerk te bezoeken. Daarom bouwde men kort na het jaar 1000 een aparte kapel op de noordelijke oever van de Niers, welke vervolgens omstreeks het jaar 1400 vervangen werd door een kerk en van die tijd dateert de parochie Ottersum. De Niers was de scheiding tussen de twee parochies. De kerk van Ottersum werd echter nog steeds beschouwd als een dochter van die van Gennep en als teken daarvan trokken de parochianen ieder jaar plechtig onder leiding van hun pastoor naar Gennep om deel te nemen aan de grote processie op H. Sacramentsdag.

Ottersum was echter qua oppervlakte een veel grotere parochie dan Gennep en vanwege de uitgestrektheid ging men vervolgens weer over tot de oprichting van buurtkapellen. Zo kwam er in Milsbeek een buurtkapel van O.L. Vrouw. De kapel, die al vermeld staat in een Gennepse schepenakte van 24 juli 1541, zou ergens tussen de Rijksweg en de Bloemenstraat hebben gestaan. Deze kapel is bij de belegering van het Genneperhuis in 1622 afgebroken door Hollandse soldaten om een vrij schootsveld te verkrijgen naar het Genneperhuis. Na de opheffing van de kapel moesten de Milsbekers dus weer elders ter kerke. Vanwege de grote loopafstand ging een groot gedeelte naar Middelaar en een kleiner gedeelte naar Gennep. Volgens een aantekening van pastoor Jan van Berkel van Ottersum uit 1835 gingen de meeste Milsbekers ter kerke in Gennep en in Middelaar. Het kleinste deel ging naar de eigen parochiekerk in Ottersum.

 

 

 

Ontstaan van de naam Milsbeek

 

In 1329 wordt voor zover bekend voor het eerst verwezen naar Milsbeek. De naam Milsbeck duikt dan op in een rentenregister van het klooster Gräfenthal. De naam Milsbeek komt daarna in een andere vorm weer voor in 1389. De abdij van 's-Gravendal of Nieuwklooster te Asperden aan de Niers bezat toen een boerenhoeve genaamd "supra Milsbeke". Deze hoeve was gelegen aan de "Milsbeek", zijnde de beek die de zuid-oostgrens vormt van de huidige parochie. Later is de Milsbeek in de volksmond de Kroonbeek geworden. De Milsbeek ontleende haar naam van de beek die roestbruin water bevat, omdat zij uit een moerassig veen komt. Mil betekent roestkleurig water. 

Ook komt de naam Milsbeek in oude geschriften voor, als er gesproken wordt over de tol, die werd geheven bij de overgang over de genoemde beek. Die overweg was gevestigd nabij "De drie kronen", welke zo genoemd was naar een drietal grote lindebomen die daar ooit gestaan hebben. Dat punt werd vroeger ook wel "stenen brug" genoemd. Daar was een tol gevestigd door de heer van Gennep die op het Genneperhuis woonde. Ieder die er passeren wilde moest tol betalen, tenzij ze bijzondere voorrechten hadden. Zo bezat de Abdij van Kamp bij Gelder in 1458 vrijdom van tol aan het tolstation "opter Milsbeke opter Stenenbrugge" in de heerlijkheid Gennep.

De eerste landkaart die, voor zover bekend, gewag maakt van Milsbeek is een kaart met "Die Reichs waldt" uit de eerste helft van de 17e eeuw van de hand van Nicolaes van Geelkercken. 

Gaandeweg is men, gezien vanuit Gennep en Ottersum, alle bewoners van het gebied achter die beek "Milsbekers" gaan noemen. Men woonde daar dus "op de Milsbeek".

 

 

De late 19e eeuw

 

Over de tweede helft van de 19e eeuw weten we via de overlevering nog iets van Milsbeek.

 

 

De bebouwing

Zoals al naar voren gekomen is, behoorde Milsbeek tot de gemeente Ottersum en de bebouwing was voornamelijk aanwezig op de hogere zandruggen en de oude doorgaande routes nabij de Bloemenstraat, Zwarteweg, Onderkant, Langstraat en Oudebaan. Na de aanleg van de Rijksweg in 1845 werd er vooral ook aan die belangrijke doorgaande route gebouwd.

Langs de Maas was dit gebied omgeven door "de weerden". Een weerd of waard is "land in de nabijheid van een rivier". De weerden waren uitstekend weiland, maar veelal bezit van grootgrondbezitters of grote boeren. Over de Maas moet een voetgangersveer zijn geweest waar men met een roeiboot overgezet kon worden. Aan de andere zijde van dit gebied lagen uitgestrekte moerassen en vennen. Hier doorheen leidden twee wegen naar Groesbeek. Het waren de Zwarteweg en de Heiweg. Het gebied dat bovenop de berg hier tussen in lag was het landgoed de St. Jansberg. Het was eigendom van de baron Verschuur die bovenaan de Heiweg woonde. Van de ruïnes van deze villa is inmiddels niet veel meer over, maar ze zijn nog wel duidelijk te zien.

 

 

De ontginning

Het grootste gedeelte van het bewoonde gebied bestond in feite uit onvruchtbare zandgronden, destijds ontstaan door grote zandverstuivingen bij het gedeeltelijk droogvallen van de aanwezige rivierbeddingen. Door langdurige potstalbemestingen waren deze gronden wat van een humuslaag voorzien en was er toch wat landbouw op mogelijk geworden. Door het ontbreken van kunstmest waren de opbrengsten echter gering, vooral in de drogere zomers. Met veel noeste arbeid werd soms getracht de grond wat te verbeteren door het opspitten van dieper gelegen leemlagen. Het was een ontzettend arbeidsintensieve bezigheid welke vaak plaatsvond in de winterdag, als er toch geen ander werk was. Dezelfde noeste arbeid werd aangewend om het areaal cultuurgrond wat te vergroten ten koste van de Siep en het veengebied. Hier was het water echter grote vijand in plaats van de droogte.

 

Overleven in armoede

Er heerste in die tijd in Milsbeek dan ook een geweldige armoede. Er werd soms nog geleefd in een wat hier een plaggenhut werd genoemd. Deze was met leem bepleisterd en had ook een lemen vloer. Om toch wat te verdienen waren velen genoodzaakt om 's zomers in Holland en Duitsland te gaan werken bij het binnenhalen van de oogst. Men was dan soms maandenlang van huis, maar men verdiende tenminste iets. Van brandstof voorzag men zich door te turven in het Koningsven en het kappen van hakhout. Dit laatste groeide voornamelijk op de hoogste zandruggen die voor de landbouw helemaal ongeschikt waren. Bijna iedereen had wel zo'n stukje. Als men er niet zelf over beschikte kon men bij de gemeente een sprokkelvergunning halen om op de gemeentelijke eigendommen het dode hout onder de bomen en struiken uit te halen of hier van af te breken. In de omgeving van het huidige Sprokkelveld had de gemeente zo nogal wat eigendom liggen en het gebied dankt daar nu ongetwijfeld nog zijn naam aan.

Een middel van bestaan was voorts het stropen. Dit hoeft eigenlijk geen verbazing te wekken want deze mensen leefden en stonden nog midden in de natuur en bovendien gebeurde het vaak noodzakelijkerwijs om aan wat vlees te komen. Het gevolg van de grote armoede was voorts, dat steeds meer jonge mensen wegtrokken om hun heil elders te zoeken. Men ging eerst als boerenknecht of -meid werken en vestigde zich  later definitief in deze welvarende streken. Men trok vooral naar Duitsland en vaak gingen er hele families ineens. De plaatselijke bevolking groeide dan ook slechts langzaam. In het midden van de 19e eeuw stonden er verspreid over het hele gebied zo'n 60 woningen. Als een strakke lijn werd in die tijd ook de kiezelweg van Maastricht naar Nijmegen door Milsbeek aangelegd. Deze weg was nog door Napoleon geprojecteerd maar niet meer in de Franse tijd in uitvoering genomen.

 

 

Opkomst van industrie in Milsbeek

 

 

Lokale grondstof

De westelijke grens van Milsbeek wordt gevormd door de Maas die zich kronkelend door het Noord-Limburgse landschap slingert. Milsbeek ligt aan de buitenzijde van zo'n kronkel en dit had tot gevolg dat de Maas ter hoogte van ons dorp op een gegeven moment ondergraven steile oevers had en dat de vruchtbare weerden sterk aan afkalving onderhevig waren. De meanderbochten betekenden ook een omweg voor het scheepvaartverkeer en ze belemmerden een snelle waterafvoer.

Vroeger, voordat er vele van die bochten uitgehaald werden, kwamen overstromingen van het gebied nabij de Bloemenstraat dan ook veel vaker voor dan tegenwoordig. Aan deze overstromingen schijnt de Bloemenstraat overigens ook haar naam te danken te hebben. Het moet toen namelijk een straat zijn geweest met brede grasbermen die plaatselijk wel 10 meter breed waren en de straat moet helemaal door hebben gelopen - de restanten van die weg liggen er nog over een grote lengte tussen de oude en de nieuwe Rijksweg - tot in Gennep. Op die brede bermen kwam bij overstromingen zowel Niers- als Maaswater terecht en derhalve ook de bloemenzaden die deze rivieren uit een groot achterland (zowel Frankrijk als Duitsland) meevoerden. Gecombineerd met die genoemde brede bermen schijnt dat vroeger een prachtig bloeiend tafereel te hebben opgeleverd. Vandaar de naam Bloemenstraat. Ter voorkoming van verdere afkalving is men in 1895 begonnen de maasbedding langs Milsbeeks grondgebied wat te verleggen en te verbeteren door het aanbrengen van bazaltkeien. Een gevolg hiervan was dat er een grote hoeveelheid klei vrij kwam en deze klei werd opgeslagen op een terrein nabij de huidige steenfabriek.

De aannemer van het verleggen van de maasbedding was een zekere uit Panheel afkomstige Coolen en de grote berg klei inspireerde hem om een steenfabriek te beginnen. De klei bleek namelijk van uitstekende kwaliteit en hij kreeg het voor niets. De eerste industrie in Milsbeek werd op die manier in 1898 geboren.

Milsbeek heeft overigens nog korte tijd een tweede steenfabriek gehad. Deze heeft gestaan nabij de bushalte die gelegen is tegenover de Kortebaan. Het tijdstip van het bestaan moet rond 1910 hebben gelegen. De leem werd ter plaatse gewonnen en het ontstane leemgat is nog duidelijk langs de Rijksweg te zien. De hier aanwezige grondstof was echter te droog en ongeschikt. Het fabriekje was daarom geen lang bestaan beschoren. De plaats waar het fabriekje heeft gestaan schijnt nog lang in het terrein te zien zijn geweest en werd nadien "de ovenberg" genoemd. De naam van de weg die thans door het industrieterrein loopt herinnert er nog aan, al ligt deze weg niet over de eigenlijke ovenberg.

 

De graanmolen 

Voor het vermalen van de ter plaatse verbouwde granen tot veevoeder of bakrogge was de agrarische bevolking tot 1909 aangewezen op de molens van Coopmans in Ottersum en Verouden in Plasmolen. Met kar en paard of met de kruiwagen moest men daar naar toe. In Milsbeek zelf was geen molenaar aanwezig, uiteraard omdat de hoeveelheid graan die hier verbouwd werd maar klein was.

Grad Jacobs bracht hier in 1909 verandering in. Afkomstig uit Overasselt had hij al molens gebouwd in Groesbeek en Heumen, maar daar was hij vertrokken vanwege de concurrentie. Op een stuk grond in het kampveld, waar nu pottenbakkerij "De Vuurvogel" gevestigd is, mocht hij van zijn zwager Jan Janssen (wiens bijnaam Rieke Jan een verwijzing was naar zijn vader Riek) een molen bouwen. Een groot deel van de bevolking hielp mee met het aanbrengen van de molenberg, waarvoor het zand uit een stukje grond aan de overzijde van de Kampveldweg kwam. Het metselwerk deed Jacobs zelf, en de onderdelen voor de molen werden bij de molen in Heumen gehaald. Na het voltooien van de bouw kon Milsbeek gaan profiteren van de eigen maalderij. Om extra inkomsten te creëren wilde Jacobs later een café bij de molen beginnen, maar deze stond op een daarvoor ongeschikte plaats. Om die reden bouwde hij in 1923 aan de Rijksweg een nieuwe molen en een café (foto). De molen heeft zwaar geleden in de oorlog, maar is nog steeds bepalend voor het beeld van dat stukje Rijksweg.

 

De eerste wereldoorlog

De van 1914 tot 1918 gevoerde bloedige strijd tussen de centrale mogendheden (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Bulgarije en Turkije) enerzijds, en de geallieerde mogendheden (waarvan de Verenigde Staten, Engeland, Frankrijk en Rusland de belangrijkste waren) anderzijds, heeft voor ons dorp Milsbeek grote gevolgen gehad.

Niet dat onze streek opnieuw oorlogsterrein werd. Er werd in Nederland weliswaar gemobiliseerd - en hiervoor werden uiteraard ook nogal wat Milsbekers onder de wapenen geroepen - maar het lukte Nederland om neutraal te blijven en de gevechtshandelingen buiten de deur te houden. De Pruisen waren onder Nederland langs, via België, Frankrijk binnengevallen en de gemobiliseerde Nederlandse eenheden behoefden niet in aktie te komen.

Neen, de betrokkenheid van Milsbeek lag op een ander terrein. Het was het terrein van de smokkel. Door de oorlog ontstond er in het machtige rijke Duitsland namelijk een groot voedseltekort. Geld om het voedsel te betalen was er daarentegen in overvloed. In het neutraal blijvende Nederland was wel voldoende voedsel, maar de grens was hermetisch gesloten. Er was zelfs een neutrale zone in het grensgebied. Ideale voorwaarden derhalve voor het ontstaan van smokkel in de grensplaatsen zoals Milsbeek.

De smokkel begon in het klein. Goederen, die lokaal geproduceerd werden of gewoon in de winkel gekocht konden worden, werden in betrekkelijk kleine hoeveelheden heimelijk de grens overgebracht omdat er daar een betere prijs voor te krijgen was. De smokkel vond 's avonds en 's nachts plaats en de smokkelroutes liepen over de vele smalle paadjes die door het Koningsven liepen naar het Reichswald. Onderaan het Reichswald of in de nabij gelegen gehuchten Grafwegen en Grünewald werden de goederen afgeleverd. Veelal ging dit te voet met een pummel op de nek. Het woord "pummelen" raakte dan ook al snel in zwang. De armoede kon op deze wijze voor vele inwoners van die tijd verlicht worden. Het was echter geen van gevaar ontbloot karwei. Er was in het grensgebied een intensieve controle en er werd in bepaalde gevallen niet geaarzeld om met scherp te schieten. Velen beleefden er dan ook hachelijke avonturen en diverse inwoners belandden in het gevang of werden gewond of gedood.

De omvang van de smokkel werd gaandeweg groter. Vanuit Noord-Brabant en vanuit het westen van het land werd via de Maas de smokkelwaar in steeds grotere hoeveelheden aangevoerd. Met roeiboten werd dit over de Maas gebracht. Nagenoeg alles werd gesmokkeld en bijna alle Milsbekers waren er wel op de een of andere manier bij betrokken. Er werden grote transporten georganiseerd waarvoor wel 40 á 50 dragers nodig waren. Ook de veesmokkel nam grote afmetingen aan. Achter een roeiboot moesten paarden, ossen en koeien zwemmend mee de Maas over. Ook dit was geen ongevaarlijk karwei omdat velen niet eens konden zwemmen. Als men met onwillige dieren te maken had stond het gammele roeibootje soms half onder water, voordat men de overkant had bereikt. Hoe merkwaardig het ook klinkt, het gevaar aan de grens was voor deze transporten kleiner, omdat de kommiezen er vaak omgekocht werden.

Milsbeek werd in deze smokkelperiode een welvarend dorp. Vooral de café's en bierhuizen beleefden gouden tijden. Men pochte met de in korte tijd veroverde rijkdom. Mensen die tot dan toe straatarm waren geweest liepen voortaan in sjieke kostuums over de straat. Bekend is het verhaal dat het voorkwam dat met een briefje van 25 of 100 DM de sigaar of pijp werd aangestookt. Maar hoe snel verging de glorie weer toen de oorlog eenmaal goed en wel voorbij was. Er waren er uiteraard geweest die het verdiende geld goed besteed hadden en er de hypotheek mee hadden afgelost of er een boerderij van gekocht hadden. Anderen hadden echter niet aan slechtere tijden gedacht en alles wat ze verdiend hadden ook opgemaakt. Schrijnend waren de tegenstellingen die voorkwamen. Degene die nog maar kort daarvoor met een briefje van 100 DM de sigaar had aangestoken, holde toen in de wei met een schop weer achter een mol aan om het vel hiervan te kunnen verkopen.

Er waren ook mensen die niet alles over de balk gegooid en toch alles verloren hadden. Dat waren degenen die hun winst in Duitse marken hadden belegd of bij de Hansabank in Gennep hadden ondergebracht. Door het kapot gaan van de mark en het faillissement van de Hansabank werd alles verloren.

 

Ontginning van veen- en heidegebieden  

 

Inmiddels deed zich echter wel een andere ontwikkeling voor die van belang was voor de bestaansmogelijkheid van de toen in hoofdzaak agrarische bevolking van ons dorp en van de werkgelegenheid in zijn algemeenheid. Het moerasgebied tussen de heuvelrug en - globaal genomen - de Ringbaan en het Heiveld was omstreeks de eeuwwisseling nog een groot onontgonnen terrein. Kort daarna begon men toch langzamerhand meer en meer van dit gebied in cultuur te brengen. Vanaf de Ringbaan en de Heiveldweg waren door de plaatselijke bevolking allemaal kleine smalle perceeltjes van de gemeente gekocht en in cultuur gebracht. De grote doorbraak in de ontginning werd hier veroorzaakt door een aantal pioniers met de benodigde financiële middelen en visie. Door kunstmest was men niet langer aan de veebezetting of de natuurlijke vruchtbaarheid van de grond gebonden. Zij slaagden er in Noord-Limburg in om grote stukken veengrond voor een aantal jaren in erfpacht van de gemeenten te verkrijgen. Het was een zekere Jaeger die op die wijze aanvankelijk van de gemeente Ottersum een enorme oppervlakte - vanaf de Langehorst in Ottersum tot aan de Hel in Milsbeek in pacht kreeg om te ontginnen en hier de grote stoot gaf tot ontginning van het uitgestrekte veen- en moerasgebied. Dit recht werd later doorverkocht aan Kuhn en Kaan. Kaan verkreeg het gebied op de Langehorst en Kuhn het in Milsbeek gelegen gedeelte. Dit liep in feite vanaf de langs het Heiveld en de Ringbaan gelegen akkers tot onderaan de heuvelrug, echter met uitzondering van het gebied tussen de Koningsvenweg en het Reichswald. Dit was het turf­ven dat was versnipperd in vele Kleine gedeelten en voor een groot gedeelte in eigendom toebehoorde aan de Milsbekers, die het in perceeltjes van 1 á 2 hectare hadden gekocht van de gemeente om er te turven.

De ontginning gaf naast werkgelegenheid aan de plaatselijke bevolking ook een grote stimulans aan de landbouw in onze streek. Ze gaf het voorbeeld tot het gebruik van kunstmest en in navolging daarvan werd dit ook gebruikt door hier gevestigde boeren en keuters, hetgeen leidde tot hogere opbrengsten en een beter bestaan.

Aanzet tot dorpsvorming

 

Een dorp krijgt pas een bloeiend verenigingsleven als het een eigen kerk en een eigen school bezit. Maar voordat het zover was, was er in Milsbeek toch al duidelijk sprake van een leefgemeenschap met bepaalde eigen voorzieningen. Het Milsbeek van 1920 tot 1930 had namelijk wat eigen ambachtslieden, winkels en vooral café's en bierhuizen (verlof B). Te beginnen bij de ambachtslieden zijn er op te noemen 3 schoenmakers, een tweetal kleermakers (toen snijers genoemd), een dakdekker, een slager, een smid, een metselaar/stucadoor, een melkhandel, een aannemer en een bakker. 

 

Ook waren er in Milsbeek 3 winkels. De café's en bierhuizen waren aanmerkelijk groter in getal en 't waren er ook veel meer dan het er vandaag de dag zijn. Nu moet daar wel bij aangetekend worden dat al deze beroepsbeoefenaars niet fulltime caféhouder waren. Men had er vaak iets anders bij. Veelal een winkel of een keuterij. Maar het aantal was desalniettemin toch indrukwekkend; 3 aan de Rijksweg, 4 aan de Zwarteweg en 2 aan de Bloemenstraat, en daar zijn de 3 "grote" straten van toen mee genoemd.

Het grote volksvermaak was toen nog het beugelen. De café's van Dorus Laarakkers en Grad en Hanneke Voss hadden een overdekte beugelbaan en ook enkele niet-caféhouders waren in het bezit van zo'n beugelbaan. Het beugelen vond vooral plaats op de zondagmiddagen. De beugelbanen waren lemen banen met opstaande rand die een afmeting hadden van 10 á 12 meter bij 5 á 6 meter. De houten bal ter dikte van zo'n 12 cm. moest met een houten handspaat door een in het midden bevestigde ijzeren ring worden geslagen.

Er werd ook al kermis gevierd, zij het dat het tijdstip van de kermis nog gelijk was aan de Ottersumse kermis. Bij enkele café’s in het gebied stond dan een tent. De aanzet voor een dorp was derhalve duidelijk aanwezig.

 

Opkomst van verenigingsleven

 

 

De allereerste aanzet tot een eigen verenigingsleven in Milsbeek is volgens overlevering geweest het geven van toneeluitvoeringen in het café van Voss aan de Zwarteweg. Het moet omstreeks 1910 zijn geweest. Een lang leven was "de toneelclub" van toen echter niet beschoren. Het kwam slechts tot het geven van een paar voorstellingen.

Een volgende aanzet was de oprichting van een fanfare in 1922. Jan Brouwers had kontakten in Duitsland en tikte daar wat instrumenten op de kop. Het gebeurde allemaal voor eigen rekening en contributie werd er niet geheven. Zo'n 10 a 12 man werden er lid en de fanfare repeteerde in het café van Hen Driessen. De dirigent kwam uit Ven­ Zelderheide. Het was echter een aflopende zaak. Op een gegeven moment waren alle instrumenten verkocht en kon er niet meer geblazen worden.

Men had echter de smaak te pakken en begin 1924 waren Sjaak Jacobs en Drikus Janssen de initiatiefnemers van een nieuwe fanfare. Het geld voor de aankoop van de instrumenten werd geleend en er werd gerepeteerd bij Gradje Jacobs in het café. Niet alle leden van de vorige fanfare wilden echter lid worden. Enkele goede muzikanten, afkomstig uit de Bloemenstraat, waren lid van de fanfare in Ven- Zelderheide en hadden zich ten behoeve van het eerste initiatief bij die fanfare afgemeld. Inmiddels waren ze daar weer lid geworden. Om die vereniging nu weer in de steek te laten vond men te veel van het goede. Het leidde tot grote spanningen die uiteindelijk tot uitbarsting kwamen op de Gennepse kermis en resulteerden in een grote ruzie die nog heeft gediend voor de rechtbank van 's-Hertogenbosch. Ondanks de moeilijke aanloop bleef de fanfare bestaan en het levende bewijs is daar vandaag de dag nog fanfare Crescendo van.

Ook op het voetbalfront kwamen er ontwikkelingen. Aan beide zijden van de Rijksweg werden er initiatieven ontwikkeld. Aan de oostzijde werd MVV (Milsbeekse Voetbal Vereniging) opgericht. Met de ezel van Vic Geene werd daar waar thans de sportzaal staat een veldje gelijk geschoven en er kon naar hartelust gevoetbald worden. Het initiatief reikte zelfs zover dat men het officiëler ging doen. Men ging contributie vragen en stelde een penningmeester aan. Maar helaas, de kersverse penningmeester raakte met de kas op de kermis in Middelaar verzeild en de club ging failliet.

Beter ging het de initiatiefnemers aan de andere zijde. Hier werd in 1928 (maar er zijn er die beweren dat het in 1929 was) BVV (Bloemenstraatse Voetbalvereniging) opgericht. Het clublokaal werd gevestigd bij Hen Driessen en men voetbalde aanvankelijk op de Breukelseberg welke lag nabij de Smelenhofweg. Deze vereniging bleek wel levensvatbaarheid te bezitten en na enkele naamsveranderingen is dit nu de S.V. Milsbeek.

Het initiatief voor eigen kerk en school

 

 

Met de opkomst van het verenigingsleven begon ook de drang naar een eigen kerk en school groter te worden. Op de eerste plaats was daar natuurlijk de grote afstand tot Ottersum de oorzaak van. De mensen die aan de zuidzijde van ons dorp woonden gingen wel nog veelal in Ottersum naar de kerk, zoals ook de mensen die een rijtuig hadden. Een gedeelte van de rest van de bevolking, die de afstand te voet af moest leggen, koos echter voor de dichterbij gelegen kerk van Middelaar. Ook de gang naar school was - vooral in de winterdag - een ontzettend karwei voor de kinderen.

Daarbij kwam ook nog wel een ander motief.

In de cafés in Ottersum werd door de Milsbekers na de zondagse kerkgang veel verteerd en als er in Milsbeek een eigen kerk kon komen dan zou dit geld op de Milsbeek blijven. Het zal dan ook wel niet toevallig zijn dat het merendeel van de initiatiefnemers Milsbeekse caféhouders waren.

Het verlangen naar een eigen kerk en school werd enorm aangewakkerd toen er geruchten circuleerden dat men in Ottersum een nieuwe kerk wilde bouwen ter vervanging van de oude kerk die aan de overzijde van de St. Jansstraat stond. De argumenten van Pastoor Heymans waren dat deze te oud en te klein was.

Dit was natuurlijk het moment dat er aktie moest komen. Vooral Gradje Jacobs, die toen raadslid was, moet in het begin in de raad en in de "Gennepse krant" al het mogelijke hebben gedaan om te geraken tot een situatie dat de oude kerk in Ottersum zou blijven staan en de nieuwe kerk in Milsbeek zou komen. Als goed politicus schijnt hij - toen de bouw van een nieuwe kerk in Ottersum onafwendbaar leek - nog een compromisvoorstel te hebben gedaan, namelijk het bouwen van de nieuwe kerk in Aaldonk. Dan zouden zowel de Ottersummers als de Milsbekers een eind moeten lopen, maar vele Milsbekers tenminste niet zo ver meer.

In Milsbeek zelf werd intussen een comité gevormd om een kerk en een school van de grond te krijgen. Pastoor Heymans van Ottersum was sterk tegen dit initiatief gekant. Hij zag met lede ogen de dreiging van een vermindering van het aantal zielen naderen en bovendien vreesde hij dat de bouw van een nieuwe kerk in Ottersum door dit initiatief de mist in zou gaan. De arme man raakte door het gedram van de Milsbekers totaal overspannen. Een aantal initiatiefnemers viel hierdoor af. Men vond het niet meer verantwoord om verder te gaan. De overblijvers kregen het niet gemakkelijk. Langzamerhand werd men als een soort rebellen gezien.

Er volgde een gesprek met deken Kreyelmans uit Gennep. Hij was een van de weinige gezagsdragers van wie men wat steun ondervond. Hij raadde de initiatiefnemers aan er voor te zorgen dat er alvast wat van het broodnodige geld kwam en hij bood aan het onder zijn beheer te nemen. Ook het advies dat hij desgevraagd aan de bisschop van Roermond moest geven was niet ongunstig. Het antwoord op de vraag of de stichting van een nieuwe parochie nodig was moet zo ongeveer geluid hebben "niet nodig, maar wel raadzaam".

Men ging vervolgens huis aan huis voor geldelijke bijdragen en hierbij kreeg men op plaatsen de wind van voren. Anderen geloofden weer niet in de haalbaarheid van het initiatief. Zo moet Thei Laemers - die de eigenaar was van de grote boerderij nabij "de stenen Brug" - gezegd hebben: "Als het lukt krijg je f 10.000,- van mij, maar het lukt jullie evenmin als dat ik met mijn handen de hemel kan grijpen". Het doorzettingsvermogen van de Milsbekers is echter bekend en het leidde tot resultaat.

 

Oprichting van de parochie Milsbeek

 

 

In april 1930 werd kapelaan L. Hoefnagels uit Baarlo bij Mgr. Schrijnen, de bisschop van Roermond, ontboden. Hem werd onder geheimhouding verteld dat men hem tot bouwpastoor te Milsbeek wilde benoemen. Kapelaan Hoefnagels aanvaardde de uitdaging. Bij de algemene benoemingen in september werd tenslotte de intentie tot vorming van een nieuwe parochie Milsbeek bekend gemaakt. Op 21 november van dat jaar schreef Mgr. Schrijnen een brief aan de priesters en parochianen van Ottersum, waarin hij de noodzakelijkheid van de parochie Milsbeek aangaf. Tevens stelde hij grenzen voor en gaf de nieuwe parochie haar titel: O.L. Vrouwe van Altijddurende Bijstand. Wie bezwaren had kon deze binnen acht dagen bij Heer Deken van Gennep bekend maken. De officiële oprichtingsakte van Milsbeek dateert van 9 december 1930. De nieuwe parochie kreeg alle parochiële rechten en voorrechten. 

Tegelijkertijd en in die tijd onlosmakelijk met elkaar verbonden kwam er toen een lagere school in Milsbeek die - en dat was in die tijd een vrij zeldzaam verschijnsel - van het begin af aan bestemd was voor zowel jongens als meisjes. Het schoolgebouw kwam eerder gereed dan de kerk en werd indertijd vervolgens als noodkerk in gebruik genomen. De nieuw gevormde parochie telde 146 gezinnen.

 

 

De bouwplaats

 

Bouwpastoor Hoefnagels vestigde zich in oktober in het zusterklooster te Gennep en enkele maanden later in een woonhuis aldaar. Pastoor Hoefnagels bleek een goede greep te zijn als bouwpastoor want hij toonde zich uiterst aktief en initiatiefrijk. Naast het pastorale werk nam hij ook zeer voortvarend de zakelijke dingen ter hand. Belangrijk waren natuurlijk de financiën. Het door de initiatiefnemers opgezette plan met intekenlijsten voor bepaalde bedragen werd verder uitgebouwd. Maar daar bleef het niet bij. Pastoor Hoefnagels trok van parochie tot parochie (in totaal meer dan 40) om een kerk bijeen te preken en hij moet voor het goede doel de bevolking van Milsbeek afgeschilderd hebben als "een volkje van smokkelaars, stropers en halve heidenen" waar het bouwen van een kerk en het brengen van de christelijke boodschap heel erg hard nodig was. Bekend is ook het niet zo geslaagde initiatief om in Texel een groot aantal lammeren te kopen. Deze konden door de Milsbekers voor een zomer "geadopteerd" worden en moesten als schapen in de herfst een aardig centje opbrengen.

Maar er moest meer gebeuren, zoals het uitzoeken van een bouwplaats voor de kerk. Alle mogelijke ideeën werden door de plaatselijke bevolking aangedragen, waarbij zich waarschijnlijk de caféhouders weer niet onbetuigd hebben gelaten. Wie namelijk de kerk voor de deur zou krijgen was "binnen". Plaatsen van overweging zijn er in ieder geval genoeg geweest. Uiteindelijk viel de beslissing ten gunste van een perceel aan de Zwarteweg ter hoogte van de huidige Pastoor Hoefnagelsstraat. Gedeeltelijk werd het bouwterrein geschonken door de familie Lamers en gedeeltelijk was het de plaats waar het afgebrande café had gestaan van Grad en Hanneke Voss. Deze hadden even verderop een nieuw huis met winkel gebouwd.

Pastoor Hoefnagels oordeelde het perceel echter te klein en het gelukte hem een hierachter gelegen perceel grond van ca. 1½ ha. te verwerven. Het was een terrein dat grotendeels bestond uit een grote zandheuvel met eiken hakhout. Hier had ongeveer op de plaats tussen de huidige pastorie en het patronaat in een soort plaggenhut een vrijgezel gewoond, die veel turfde in het Koningsven.

Vanaf de Zwarteweg werd de Pastoor Hoefnagelsstraat aangelegd en deze liep

- voordat later de Kerkstraat en de Pastoor Hoefnagelsstraat gereconstrueerd werden - recht op de kerkdeur aan, zonder door een trap onderbroken te worden. De straat is ook nog lang eigendom van de kerk geweest.

 

 

Toen de bouwplaats gereed was kwam de bouw zelf aan de beurt. Architect was de heer Coumans uit Nijmegen welke een studievriend van pastoor Hoefnagels was en zijn talent en arbeid gratis beschikbaar stelde. Hij stelde er een eer in een kerk te mogen bouwen zonder honorarium.

De pastorie werd gebouwd door Drikus Lemmen uit Milsbeek die toen juist in Milsbeek een aannemersbedrijf begonnen was. De bouwkosten, groot f 7710,-, werden voldaan met de gelden die de parochie Ottersum in beheer had door de uitkoop van de zgn. kapelaansgronden op de Wankum.

De bouw van de kerk zelf was echter iets dat de mogelijkheden van de plaatselijke aannemer te boven ging. Het werk werd uiteindelijk gegund aan aannemer Geraerdts uit Blerick voor een bedrag van f 38.000,-. Bedongen werd wel dat tenminste een vijftal inwoners in dienst genomen moesten worden. Omdat de metselaars en timmerlieden toen in ons dorp nog niet zo dik gezaaid waren, werden het voornamelijk opperlieden uit ons dorp die aan de kerk werkten, voor een weekloon van f 18.-, indertijd een best betaalde baan.

In de kerk werd door René Smeets uit Ottersum een prachtige muurschildering aangebracht (foto's). Deze is later overgeschilderd om plaats te maken voor een soberder uiterlijk van de kerk.

 

Het eerste functioneren van de parochie

 

 

 

Al voordat de kerk klaar was kwamen de pastorie en de school gereed en de school werd meteen maar in gebruik genomen als noodkerk. Reeds in december 1931 werden er H. Missen opgedragen en de Milsbekers hoefden niet meer door de kou naar Ottersum. Er wordt verteld dat men in Ottersum niet wist wat hen overkwam toen de Milsbekers daar wegbleven. Het werd er akelig stil op de zondagen. Men had altijd op de Milsbekers neergekeken, maar toen ze niet meer kwamen was de gezelligheid verdwenen. Men miste ze nu toch wel! 

In januari 1932 werd de kerk al in gebruik genomen en pastoor Hoefnagels werd feestelijk bij "De Drie Kronen" ingehaald. Sjaak Jacobs was de eerste die er trouwde, te weten op 2 februari 1932, terwijl op 8 februari de eerste dopeling er werd gedoopt. Dit was Jan Franken.

Er moest natuurlijk ook een koster komen. Dit werd Thei Peters, die getrouwd was met Marie Krebbers. Hij bouwde een woning tegenover de kerk. Al snel veranderde zijn naam in "Thei de Köster" en later - na zijn al spoedige overlijden in 1934 - werd het zijn vrouw ("Marie de Köster") die jarenlang als kosteres fungeerde.

Wat er ook moest komen was een koor. Aan belangstelling was er geen gebrek, al was er nog wel wat oefening nodig voordat het niet meer voorkwam dat de zaak stil viel. Door het grote enthousiasme van het eerste begin groeide de groep op een gegeven moment wel uit tot een 30 man. Later stabiliseerde het koor zich op een man of twaalf. De eerste dirigent werd het nieuwe hoofd van de school. Dit was meester Hendrickx, die door Pastoor Hoefnagels uit Baarlo was meegebracht.

 

Milsbeek in de crisisjaren

 

 

Nadat de parochie Milsbeek werkelijkheid was geworden, groeide de saamhorigheid en de gemeenschapszin in het dorp. Ondanks de crisisjaren waarin men terecht kwam, groeide het dorp toch redelijk. De middenstand kreeg nieuwe impulsen en rond de kerk, waar tot dan toe nauwelijks bebouwing aanwezig was, formeerde zich al snel een groepje winkels. De bouwterreinen hiervoor werden voornamelijk door de kerk - die alle grond tussen de kerk en de Zwarteweg in haar bezit had - verkocht.

Hierop bouwde Vic Geene een bakkerswinkel, Thei Peeters een winkel in koloniale waren, Wim Meeuwssen een textielwinkel, Wim ten Haaf een schoenwinkel en Ties Hubbers een kapperszaak. Er kwam ook een café en wel “’t Centrum”, maar niet met de medewerking van de kerk.

 

 

Wat enorm groeide was verder het verenigingsleven. Ook de kerk droeg hier aan bij door een patronaat te bouwen voor het jeugd- en verenigingswerk. Het was een vrij unieke voorziening voor die tijd.

De fanfare en de voetbalvereniging kwamen tot grote bloei en al spoedig voegden zich na het ontstaan van de parochie daarbij het kerkelijk zangkoor en de toneelvereniging ONA. Het patronaat bood voor het geven van toneeluitvoeringen een prima gelegenheid.

Overal in de gemeente werden ook nieuwe woningen gebouwd. Dit gebeurde voor de oorlog echter nog niet specifiek in de nieuwe kern, feit was wel, dat Milsbeek als leefgemeenschap duidelijk gestalte had gekregen.

De pottenbakkers in Milsbeek

 

 

Een ontwikkeling die in dit stukje geschiedenis niet onvermeld mag blijven is de opkomst in deze jaren van de pottenbakkerijen in Milsbeek, waardoor ons dorp zeer zeker een grote bekendheid heeft verworven.

Reeds in de 1 7e (gouden) eeuw moeten zich in Milsbeek enkele pottenbakkers gevestigd hebben, welke volgens overlevering uit Sonsbeck afkomstig moeten zijn geweest. Er zijn nog aanwijzingen voor de aanwezigheid van oude vestigingen van pottenbakkers. Aan de Bloemenstraat staat op oude kaarten een plaats aangeduid als "pottenbakkerij", terwijl een akker aan de Rozenbroekstraat ooit "de akker van de pottenbakker" werd genoemd.

De pottenbakkers van die tijd maakten gebruiksvoorwerpen zoals kruiken, schalen, tabakspotten enzovoort. Ze zijn echter verdwenen door de opkomst van de industrie en de hiermee gepaard gaande automatisering. Met name Regout in Maastricht heeft de stoot gegeven tot de automatisering die uiteindelijk de kleine ambachtsman verdrong.

Slechts degenen die hier tijdig zijn overgeschakeld op de fabrikage van bloempotten hebben dit overleefd. Hiertoe behoorden Döt en Jan Liebrand uit Ottersum en Van Arensbergen uit Gennep. Van daaruit zijn de pottenbakkerijen weer in Milsbeek terecht gekomen. Er waren namelijk een aantal Milsbekers die daar werkten en in de jaren dertig als zelfstandige in Milsbeek begonnen. De eersten waren Jan en Wim Bindels uit de Potkuilen. Nadat Jan korte tijd bij Van Arensbergen en nog kortere tijd bij Liebrand gewerkt had bouwde hij in 1930 geheel in eigen beheer een fabriekje in de Potkuilen en begon men in 1931 met de productie. Met name Jan moet een waar genie zijn geweest. Hij verstond niet alleen uitstekend de pottenbakkerskunst, maar ontwikkelde en bouwde later - de eerste jaren was alles nog handwerk - de eerste pers hier in de omgeving en gaf op die manier de eerste stoot tot mechanisatie van de pottenfabrikage. Ook bouwde hij voor de latere collega's in Milsbeek diverse ovens.

De volgende was Bertje Arts in 1934, enkele jaren later gevolgd door de Gebr. van den Hoogen, Wim Jansen en Peter Linders, en nog weer later door de Gebr. Grutters, Herman Wientjes, Wim Jansen met een nieuw fabriekje en Bart Wijnhoven. In 1952 bouwden de pioniers Jan en Wim Bindels nog een nieuwe fabriek aan de Molenweg (thans Ovenberg) omdat men in de Potkuilen geen electriciteit kon krijgen. Milsbeek was een echt pottenbakkersdorp geworden met een concentratie die gerust uniek genoemd mocht worden in Nederland.

De potklei die voor de fabrikage benodigd was, werd gewonnen in het gebied de Potkuilen en het Rozenbroek. De afkomst van "Potkuilen" laat zich gemakkelijk raden. Gefabriceerd werden voornamelijk bloempotten, in het begin vooral voor het gebied rondom Lent. Gestookt werd er vooral met takkenbossen en afvalhout. De steeds verder gaande automatisering heeft ook hier echter weer zijn invloed doen gelden en in de jaren zestig verdwenen door schaalvergroting weer vele fabriekjes.

 

De pottenbakkerijen blijven nog steeds hun stempel drukken op Milsbeek en deze bedrijvigheid heeft er zelfs toe geleid dat de huidige koningin Beatrix destijds een bezoek heeft gebracht aan Milsbeek, namelijk op 6 mei 1960 aan de pottenbakkerij "De Olde Kruyk" (Foto). Inmiddels heeft de jaarlijkse keramiekmarkt Keramisto internationale bekendheid verworven en daarmee Milsbeek verder op de kaart gezet. 

 

Oorlogsjaren

 

Nadat de bevolking er al maandenlang op was voorbereid en men het al enkele weken in het Reichswald had horen rommelen, maakte Milsbeek op 10 mei 1940 kennis met het Duitse leger. De inname van ons dorp gebeurde vrij geruisloos. Het onder water lopen van het ven, een geplande verdedigingsaktie, was een totale mislukking. De eigenlijke verdedigingslinie lag bij de Maas, waar op de Noord-Brabantse zijde overal de betonnen kazematten waren gebouwd, waarin het geschut van het Nederlandse leger was opgesteld. De bewoners van het gebied langs de Maas aan deze zijde hadden te horen gekregen dat men zo snel mogelijk naar de aangewezen adressen aan de overzijde van de Rijksweg moest als de brug in Gennep zou springen. De brug in Gennep sprong door verraad echter niet en de Duitsers trokken hier praktisch ongehinderd binnen. De enige schoten die op Milsbeek werden gelost, werden abusievelijk gelost door Nederlandse soldaten in de bunkers aan de overzijde op de boeren die op het laatste nippertje het vee dat langs de Maas liep in veiligheid wilden brengen.

Milsbeek was bezet. De schade die was veroorzaakt viel echter mee en ook een groot gedeelte van de verdere oorlog had Milsbeek nog niet zoveel te lijden van de bezetting. Het venijn zat echter in de staart. 

Rampspoed kwam over ons gebied in de laatste 4 maanden van 1944 en de eerste 4 maanden van 1945. In Mook, Middelaar en Plasmolen kwam in feite het eigenlijke front te liggen en ook Milsbeek kwam in de vuurlinie, hetgeen verschillende doden en zwaargewonden eiste. We kwamen in september 1944 dicht bij de bevrijding (het bevrijde gebied liep tot aan het viaduct in Mook) en de Duitsers trokken al terug. De slag om Arnhem werd echter door de geallieerden verloren en de Duitsers kwamen terug en de strijd ging verder. Het uiteindelijke gevolg daarvan was dat de bevolking van Milsbeek moest evacueren. Via een grote omweg over Duitsland trok men met duizenden via 's-Heerenberg en Gendringen naar het noorden. Velen uit Milsbeek kwamen uiteindelijk in de buurt van Utrecht terecht.

Ruim tien jaar na het gereed komen van de kerk heeft ze zwaar te lijden bij de gevechten in februari 1945, als de Engelsen na maanden genesteld te zijn in de beboste Plasmolense heuvels deze uitkomen en verbitterde gevechten leveren om de aanwezige Duitse stellingen. De strijd om de streek tussen Plasmolen en Gennep, de Maas en het Rijkswald kost veel jonge Britse levens. Deze militairen liggen op het eregrafveld achter de Milsbeekse kerk als blijvende herinnering aan die natte, koude februaridagen 1945, de dagen van de bevrijding van een ontvolkte streek.

De overgrote meerderheid van de Milsbeekse bevolking keerde in mei 1945 berooid terug. De oorlog eiste ook na de thuiskomst nog eens een groot aantal doden en zwaargewonden. De namen van 19 inwoners die door oorlogshandelingen en ongelukken omkwamen staan vermeld op een gedenkteken dat bij de kruising van de Kerkstraat en de Langstraat is aangebracht.

De schade na de oorlog was zoals al gezegd enorm. De kerk had zwaar geleden. Engelse granaattreffers hadden het dak zwaar beschadigd en stukken uit de muren geslagen. Het priesterkoor miste zijn gewelven en de boog was gescheurd. Het interieur van de kerk was verder zowel door Duitse als geallieerde soldaten zwaar vernield. De hoofdzakelijke reden dat de kerktoren nagenoeg intakt was gebleven, was dat deze niet als uitkijktoren kon dienen, en dus geen opzettelijk doel vormde.

Van de steenfabriek was niet veel meer over. De schoorsteen was door de Duitsers als vuurleiding gebruikt en daarom - toen dit uitlekte - in elkaar geschoten. De stoffelijke resten van de wachtpost werden na de oorlog nog in de op de grond liggende stukken teruggevonden.

Ook de burgerbebouwing had zware schade opgelopen door de oorlog. Een aantal huizen was onherstelbaar beschadigd. Men ging in de eerste periode wonen in die huizen waarvan nog gedeelten met eenvoudige middelen "droog" te maken waren en er werd met meerdere gezinnen in een huis gewoond. Voor de allereerste gebruiksartikelen zorgde de H.A.R.K. (Hulp-Aktie-Rode Kruis). Andere artikelen waren praktisch niet verkrijgbaar. Later werden er noodwoningen gebouwd. Voor degenen die een boerderij hadden bij de woning zelf, voor de overige burgers werden noodwoningen langs beide zijden van de Kerkstraat gebouwd. Deze hebben er nog vrij lange tijd gestaan. Het was in feite de eerste gesloten bebouwing in het dorp. Andere bleven noodgedwongen gedurende de eerste jaren na de oorlog inwonen. Het was behelpen.

 

 

Wederopbouw en groei

 

 

In de wederopbouw kreeg Milsbeek pas een echte woonkern. Aan de Zwarteweg, Langstraat en Schoolstraat werden burgerwoningen gebouwd voor degenen die tot dan in de noodwoningen of bij anderen in hadden gewoond, dan wel een nieuw gezin gingen vormen. Er kwam toen pas duidelijk een bebouwde kom rondom de parochiekerk tot stand.

Een minder prettige omstandigheid was dat een aantal jongemannen ook uit onze parochie al weer snel naar Nederlands-Indië moest. In deze dagen kon men echter zien hoe in de oorlogstijd de gemeenschapszin gegroeid was. Het hele dorp leefde mee. Onder leiding van Pastoor Reintjes en Mej. Murkens kwam er een thuisfrontcomité. Allen zijn gelukkig behouden teruggekeerd.

Wederopgebouwd na de oorlog telde Milsbeek rond 1950 zo'n 1000 inwoners. En men kwam toen terecht in de jaren van grote economische groei. Van een in hoofdzaak armoedig dorp voor de oorlog, groeide Milsbeek na de oorlog naar een welvarend dorp toe. Milsbeek groeide direkt na de oorlog al sneller dan voordien vergelijkbare plaatsen als Ottersum en Middelaar.

De Kerkstraat was inmiddels uitgegroeid tot het kloppende hart van het dorp waar het overgrote gedeelte van de winkels gevestigd was. Een winkelbestand dat er voor die tijd mocht zijn. Er waren ook nieuwe verenigingen bijgekomen, zoals de biljartvereniging "Nooit Gedacht", de plattelandsvrouwen, de vrouwenbeweging van het NKV en de hengelsportvereniging "De Goede Vangst". En niet te vergeten het Oranjecomité dat in eerste instantie tot taak had de bevrijdingsherdenking en voor de kinderen het St. Nicolaasfeest te organiseren. De taakstelling werd later ruimer. Het werd een overkoepelend orgaan voor alle verenigingen en de naam werd gewijzigd in "Milsbeek Vooruit".

In de periode dat pastoor Van de Loo hier kwam (1962) was Milsbeek zoals gezegd al aan een flinke groei bezig. In het gebied van de Gildestraat en Kanonskamp werden de gemeentelijke uitbreidingsplannen gerealiseerd voor de opvang van de woningbehoefte voor de eigen bevolking. Er werden vele voor de eigen bevolking betaalbare woningen in Milsbeek gebouwd. Het feit dat Milsbeek in de oude gemeente Ottersum lange tijd over twee wethouders beschikte zal hiertoe ook ongetwijfeld veel aan hebben bijgedragen. Langzamerhand kwamen daar ook de eerste vreemdelingen tussen, welke geen specifieke binding met Milsbeek hadden.

De ontwikkeling die aan de andere zijde van de Rijksweg in de omgeving van de Sprokkelveldstraat en de Bloemenstraat plaatsvond was een geheel andere. Oud-burgemeester Janssen heeft er zich voor ingezet dat zich daar nabij de steenfabriek wat semi-agrariërs zouden kunnen vestigen, welke een eigen bedrijfje met wat champignons, varkens of kippen zouden kunnen beginnen. Daarnaast zou men bijvoorbeeld op de steenfabriek kunnen werken, zoals dat vroeger wel het geval was. De werkelijkheid pakte echter anders uit. De bedrijfsvergroting in de landbouw zette in en aan dergelijke half-agrarische bedrijfjes was geen behoefte. De eisen die er qua grond en bedrijfsoppervlakte werden gesteld, waren bovendien zo licht dat er gewone burgerwoningen ontstonden, waarin vele niet-Milsbekers kwamen te wonen. En zo groeide Milsbeek uit tot een dorp gelegen aan twee zijden van een steeds drukker wordende rijksweg Nijmegen - Venlo tot een inwoneraantal op 1 januari 1968 van zo'n 1700 inwoners.

Het verenigingsleven had zich inmiddels verder uitgebreid. Een carnavalsvereniging, een hofkapel, een schutterij, een oudercomité, een K.W.J., een gidsengroep, een jeugdraad en een korfbalvereniging hadden acte de presence gegeven. Ook vond er juist in die tijd de opening van het gemeenschapshuis plaats, waarvoor in 1957 het eerste initiatief was genomen. Het gemeenschapshuis kwam uiteindelijk terecht aan de andere zijde van de kerk. Het was grond die eigendom was van de gemeente.

In deze periode werd ook de beslissing genomen tot een nog grotere groei van ons dorp. Burgemeester Berger had inmiddels in de gemeente Ottersum het roer van de overleden burgemeester Janssen overgenomen. Hij bracht de voor die tijd moderne ideeën inzake de ruimtelijke ordening mee vanuit Gorichem waar hij voordien gewerkt had. Milsbeek moest verder groeien om een nog beter voorzieningsniveau op te kunnen bouwen voor de bevolking. Milsbeek had de mogelijkheden daarvoor in zich. Het had goede bouwgrond en het lag niet te ver van Nijmegen, met een goede openbaarvervoer verbinding. Kortom het kon een forensendorp worden. De raad ging met deze ideeën akkoord en de hele hoek gelegen tussen de Kanonskamp, Oudebaan en Langstraat en ook een stuk van bet Heiveld werd in korte tijd volgebouwd. Het inwonertal steeg tot 1978 met ongeveer 100 inwoners per jaar.

Ook werd er plaatselijk wat gedaan voor de werkgelegenheid. Aan de zuid­westelijke zijde van de Rijksweg werd reeds in de vijftigerjaren een sobere aanzet gegeven tot een industrieterreintje door de vestiging van enkele bloempottenbedrijfjes, later gevolgd door een betonfabriek en enkele metaalbedrijfjes. Dit terrein werd uitgebreid in de richting van het Achterbroek maar een grote bijdrage aan de werkgelegenheid heeft dit bedrijventerrein lange tijd niet opgeleverd. Heel langzaam geraakte het pas vol.

Van veel grotere betekenis voor de plaatselijke werkgelegenheid was de komst en de uitgroei van het mestfermenteerbedrijf van de C.N.C. met in zijn kielzog het transportbedrijf Emons, aan "De Drie Kronen". Al stond het bedrijf op een plaats waar het in deze omvang eigenlijk nooit had mogen komen, het heeft wel in een enorm stuk werkgelegenheid voorzien voor de vele kleine zelfstandige agrariërs die door de gewijzigde bedrijfseconomische omstandigheden hun eigen bedrijfje niet meer konden voortzetten.

 

Volgroeide gemeenschap

 

 

 

Rond 1980 was Milsbeek een dorp met ca. 2750 inwoners. Het idee dat zo'n inwoneraantal voldoende was voor een dorp om alle eigen voorzieningen te hebben was toen al gedeeltelijk achterhaald. Niet voor wat betreft het verenigingsleven. Milsbeek had een scala aan verenigingen waaruit men kon kiezen. Wel echter wat betreft de winkelvoorzieningen. De grote opkomst van de grootwinkelbedrijven maakte het de Milsbeekse winkeliers ondanks de 2750 inwoners danig lastig.

Enkele schermutselingen tussen geboren Milsbekers en “import” waren toen al geweest. De hinderwetprocedure voor het CNC-bedrijf en het initiatief voor een nieuwe school bracht min of meer de autochtone tegenover de nieuwe inwoners. Dat alles was in 1980, bij het 50-jarig bestaan van de parochie, alweer in rustiger vaarwater gekomen. Men was tot de conclusie gekomen, dat iedereen samen verder moest in onze gemeenschap.

De grote groei was eind jaren ‘70 duidelijk terug gelopen. De bestemmingsplannen geraakten vol en de provinciale overheid wilde een verder gaande suburbanisatie (het ontstaan van grote plaatsen buiten de stad) tegengaan. Milsbeek mocht nog slechts groeien voor de opvang van de eigen bevolking. Op een gegeven moment konden vele jonge mensen uit het dorp echter geen betaalbare koop- of huurwoning verwerven in Milsbeek en werden daardoor gedwongen dorp en parochie Milsbeek te verlaten.

 

Historische herkomst van namen

 

 

 

Op deze pagina zijn van verschillende straten en gebieden de herkomst van de naam te vinden. Hieronder staat een lijst met deze namen. Door op de naam te klikken, komt u automatisch terecht bij de tekstpassage die over de naamsherkomst gaat.

 

Bloemenstraat

De dood (veld)

Den Dam

Kanonskamp

Milsbeek

Ottersum

Ovenberg

Pastoor Hoefnagelsstraat

Potkuilen

Schietberg

Schuttersplein

Sprokkelveld

 

De herkomst of betekenis van alle Milsbeekse straatnamen is HIER te vinden op de pagina Etymologie.