|
|
|









|
Inleiding
& verantwoording
Op deze pagina staat de
geschiedenis van Milsbeek beschreven.
Bij gelegenheid van het 50-jarig jubileum van de parochie heeft
dhr. W. Bindels veel informatie verzameld en beschreven in het
gedenkboekje "Parochie Milsbeek 1930-1980, Gouden Huis".
Die gegevens, en de website van Gennep
vormen de basis voor deze geschiedschrijving.
|
|
Overzicht
van de onderwerpen
(klik
op een onderwerp om er direkt naar toe te gaan)
|
|
Belangrijke historische
jaartallen
Geschiedenis
van de regio
Milsbeek
kerkelijk gezien
Ontstaan van de naam
Milsbeek
De
late 19e eeuw
Opkomst
van industrie in Milsbeek
De
eerste wereldoorlog
Ontginning
van veen- en heidegebieden
Aanzet
tot dorpsvorming
Opkomst
van verenigingsleven
Het
initiatief voor eigen kerk en school
Oprichting van de
parochie Milsbeek
De
bouwplaats
Het
eerste functioneren van de parochie
Milsbeek
in de crisisjaren
De
pottenbakkers in Milsbeek
Oorlogsjaren
Wederopbouw
en groei
Volgroeide
gemeenschap
Historische
herkomst
van namen
|
|
Belangrijke
historische jaartallen
Bronnen
o.a. Gemeente
Gennep &
gedenkboekje "Parochie Milsbeek 1930-1980"
De
jaartallen betreffen Milsbeek, alsmede het gebied waar Milsbeek
onder viel voordat het Milsbeek werd.
|
|
ca. 3000 v.C.
|
Jagers en trekkers in gebied Bloemenstraat
|
|
ca.
1000
|
Gennep
en ommelanden onder de Heren van Gennep.
|
|
1329
|
Naam Milsbeck in renten-register Gräfenthal
|
|
1389
|
Boerenhoeve "Supra Milsbeke"
|
|
1442
|
Gennep en ommelanden bestuurlijk onder het
hertogdom Kleef.
|
|
1458
|
Vermelding van tolstation "opter
Milsbeke opter Stenenbrugge"
|
|
1542
|
Gennepse schepenakte vermeldt een buurtkapel van
O.L. Vrouw op gebied dat nu Milsbeek is.
|
|
1597
|
Rampzalige
brand verwoest de hele stad Gennep op enkele huizen na. Alle
archiefstukken van de regio gaan verloren.
|
|
1609
|
Gennep e.o. onder het gezag van Johan Sigismund van Brandenburg.
|
|
1622
|
Buurtkapel O.L.Vrouw afgebroken in verband met de
belegering van het Genneperhuis.
|
|
Begin 17e eeuw
|
Milsbeek staat vermeld op een landkaart van Nicolaes van
Geelkercken.
|
|
1641
|
Genneperhuis belegerd en na ruim zeven weken ingenomen door Frederik Hendrik, prins van Oranje.
|
|
1672
|
De vestingwerken van het Genneperhuis door de Fransen verwoest.
|
|
1712
|
De vestingwerken van het Genneperhuis volledig ontmanteld en gesloopt.
|
|
1731
|
In regio Gennep wordt per half augustus 1731 begonnen met het
opmeten en in kaart brengen van alle land voor het Kleefs
Kadaster.
|
|
1798
|
Inlijving bij Frankrijk onder Napoleon Bonaparte.
|
|
1798
|
Invoering van de Burgerlijke Stand.
|
|
1801
|
De parochie Gennep gaat tot het nieuw opgericht
bisdom Aken behoren.
|
|
1815
|
Op het Wener Congres wordt beslist, dat een smalle
strook grond in Noord Limburg (o.a. Gennep) als barrièregebied bij Nederland gaat behoren.
|
|
1830
|
Gennep en omstreken onder het koninkrijk België.
|
|
1839
|
Terugkeer naar het koninkrijk Nederland.
|
|
1845
|
Aanleg van de verkeersweg Nijmegen-Maastricht over Gennep
(= N271).
|
|
1895
|
Verlegging maasbedding.
|
|
1898
|
Eerste industrie in Milsbeek: de steenfabriek.
|
|
1909
|
Bouw eerste graanmolen in Milsbeek.
|
|
1913
|
De tramlijn Nijmegen- Gennep- Venlo, de Maasbuurt Spoorweg,
in bedrijf.
|
|
1914-1918
|
Door
de eerste wereldoorlog en de bijbehorende schaarste in
Duitsland,
verrijkt men zich "op de Milsbeek" door over de grens
te
smokkelen.
|
|
1923
|
Bouw graanmolen aan de Rijksweg.
|
|
1924
|
Oprichting
fanfare, het latere Crescendo.
|
|
1928
|
Op
28 juni wordt voetbalvereniging BVV opgericht, later R.K.S.V.
Milsbeek genaamd, en sinds 1998 S.V.
Milsbeek, afdeling voetbal.
|
|
1930
|
Oprichting nieuwe parochie Milsbeek. Kerk & school worden gebouwd.
|
|
1931
|
Op
1 december wordt de Milsbeekse school in gebruik genomen.
|
|
1932
|
Oprichting van toneelvereniging in
november, later genaamd Ontspanning Na Arbeid.
|
|
1940
|
Het Duitse leger overschrijdt bij Ven-Zelderheide de grens; Nederland in oorlog met Duitsland.
|
|
1944
|
Alle burgers van Gennep en omstreken moeten in oktober evacueren.
|
|
1945
|
Geleidelijke terugkeer van de burgers uit hun evacuatieadressen.
|
|
1948
|
Kleuterschool gestart in Milsbeek in een noodwoning.
|
|
1954
|
Schuttersgilde
St. Lambertus wordt op 8 augustus van dit jaar (her-)opgericht.
|
|
1955
|
Bouw
nieuwe kleuterschool.
|
|
1956
|
Gescheiden
meisjes- en jongensspeelplaatsen verdwijnen op de Milsbeekse
school.
|
|
1957
|
Oprichting
oudercomité.
|
|
1966
|
Op
26 februari wordt korfbalvereniging SPES opgericht,
sinds 1998 S.V.
Milsbeek, afdeling korfbal.
|
|
1973
|
Gemeentelijke herindeling in Noord-Limburg: de gemeenten Gennep en Ottersum worden opgeheven
en met het kerkdorp Heijen uit de gemeente Bergen samengevoegd binnen één nieuwe gemeente Gennep.
|
|
1979
|
Tennisvereniging
De Milsbeek wordt op 22 januari 1979 opgericht.
|
|
1993
|
Gennep en omstreken wordt getroffen door een van de ergste watersnoden uit de 20ste eeuw.
|
|
2001
|
18 augustus 2001: De gemeente Gennep
stemt ermee in dat het gebied rond de kasteelruïne Genneperhuis
bij Milsbeek een beschermd archeologisch rijksmonunt wordt.
|
|
|
|
|
Geschiedenis
van de regio
Landschapsvorming:
De voorhistorie
In
de voorhistorische
tijd - dat zijn de talrijke eeuwen die er waren voordat er
schriftelijke aantekeningen werden gemaakt - bestond Noord-Limburg
uit een grote woeste rivierenmassa. Dit was niet slechts de Maas,
maar ook de Rijn, welke laatste rivier zich langs de zuidrand van
de stuwheuvel voortbewoog en zich ongeveer ter hoogte van het
huidige dorp Milsbeek met de Maas verenigde. De al genoemde
stuwwal is gevormd doordat ijsmassa's uit het noorden grote
massa's grond met geweldige krachten voor zich uitstuwden. De Rijn
werd door die heuvelrug gedwongen in de richting van de Maas.
Toen
het ijs gesmolten was, doorbrak de Rijn die heuvelrug en verdween
zo uit Noord-Limburg. Wel bleef er nog een zijarm op de oude
plaats stromen, maar in het begin van onze jaartelling schijnen de
Romeinen door een dam de oude loop
van de Rijn te
hebben afgesloten.Vanaf die tijd stroomt hier vanuit Duitsland nog
slechts de Niers.
Landschapsvorming:
Verlegging
van de Niers
Men
moet evenwel niet denken dat de Niers altijd de bedding heeft
gehad die zij nu heeft en tengevolge waarvan zij juist ten noorden
van het Genneperhuis in de Maas uitmondt. De Niers schijnt vroeger
in elk geval ook onder langs de heuvelrug te zijn gelopen naar
Plasmolen, maar deze loop is eveneens door een dam ongedaan
gemaakt.
Dit moet zijn gebeurd nabij de grenspost Grünewald, welk gebied
nu nog altijd "den Dam" heet. Ook de siepen, die in
Milsbeek noordoostelijk van de Langstraat en de Onderkant hebben gelegen, moeten overblijfselen zijn van een tak van de Niers.
Dit is nu nog wel te zien aan de laagte, die zich helemaal uitstrekt
via Aaldonk naar het dorp Ven-Zelderheide. Dat de huidige
plaats van samenkomst van de Niers met de Maas juist ten noorden
van het Genneperhuis een kunstmatige is, is ook zeer duidelijk in
het terrein te zien. Deze bedding is gegraven ter verdediging van
het Genneperhuis. De oude bedding heeft daar vroeger
waarschijnlijk tussen de Maas en de Bloemenstraat naar Middelaar
toe gelopen.
Bewoning:
Romeinen en Franken
De
eerste schriftelijke bronnen over de bewoners van onze streken
stammen uit de eerste eeuw na Christus, de tijd dat de Romeinen
hier aanwezig waren. Er moet hier toen door Milsbeek de door de
Romeinen op de oostelijke Maasoever aangelegde weg hebben
gelegen die van Aken via Venlo naar Gennep leidde en ongeveer ter
hoogte van de ruïne van het Genneperhuis naar Groesbeek moet
zijn afgebogen. De Romeinen werden hier later weer verdreven door de Franken. Een
van de groepen, die hiertoe behoorden en met name deze streek
bewoonden, waren de Hattuariërs. Zij woonden niet in steden maar
op hoven of hoeven, die zij hun eigen naam gaven. In deze tijd is
Ottersum bekend onder de naam Odemarsheim. In de buurt van
Nijmegen lag het trefpunt tussen de woongebieden van de Franken,
de Friezen (noordelijken) en de Saksen (oostelijken). De delta van
de grote rivieren was eeuwenlang een twistpunt tussen de 3
volksstammen. Het gebied rondom Nijmegen was dan ook herhaaldelijk
een strijdterrein. Ook later is dit weer het geval geweest bij de
invallen van de Noormannen, die gepaard gingen met grote
strooptochten.
Bewoning:
De
middeleeuwen
Het
schijnt verder zo te zijn dat de Graven van Kleef sinds het midden
van de elfde eeuw belast waren met de voogdij over deze streek en
feit is dat in 1418 Adolf van Kleef het gebied in pand kreeg van
Reinold IV van Gelder. Altijd is er maar weer gevochten in deze
streek. Zo is Milsbeek ook duidelijk het strijdtoneel
geweest
van de 80-jarige oorlog die woedde van 1568 tot 1648. De bekendste
gebeurtenis van die 80-jarige oorlog vond nog juist buiten
Milsbeek plaats. Het was de slag op de Mookerheide op 14 april
1574. Wel daadwerkelijk
het strijdtoneel is Milsbeek geweest tijdens de verovering van het
Genneperhuis op de Spanjaarden. Het Genneperhuis, waarvan de
verdedigingswerken genaamd het hoorn- of herderwerk op Milsbeeks
gebied lagen, was
in 1614 in handen gekomen van de Spaanse legers. In 1641 werd het
na lange strijd door de legers van de Staatsen
op de Spanjaarden heroverd. Een belangrijk gedeelte van de
aanvalslinie lag op Milsbeeks gebied en de aanval werd ook vanaf
Milsbeek uitgevoerd. Straatnamen als Kanonskamp,
Schuttersplein en Schietberg (deze laatste ligt
overigens op de verkeerde plaats, want de eigenlijke Schietberg
ligt tussen Schoolstraat en Oudebaan) herinneren hier nog aan. Ook
de naam "de Dood" van een veld langs de Bloemenstraat is
wellicht een overblijfsel hiervan. De grote kanonskogels, die
werden gebruikt bij de beschieting, zijn in latere jaren nog op
diverse plaatsen gevonden.
|
|
Milsbeek
kerkelijk gezien
voordat
er sprake was van een parochie
Aartsbisom
Keulen
Keulen
was vroeger de metropool van Noord-West Europa op kerkelijk
gebied. Onze streek behoorde in die tijd dan ook tot het
aartsbisdom Keulen. Dit bleef zo tot 1559 toen onder Philips II
door de Paus een landelijke hiërarchie werd opgericht voor de 17
Nederlandse gewesten. Het gebied rond Gennep behoorde echter niet
tot die 17 Nederlandse gewesten, maar tot het gebied van KIeve en
bleef tengevolge daarvan tot 1802 behoren tot het bisdom Keulen. Het heeft geduurd tot het jaar 700
alvorens werd overgegaan tot de stichting van vele
plattelandskerken.
De
stichting van plattelandskerken
Ook
hier in de omgeving in historisch bekende plaatsen als Gennep,
Heyen, Middelaar en Mook werden al vroeg parochies gesticht. Het
gebied van Ottersum en Milsbeek behoorde tot de parochie Gennep.
De vaak optredende hoge waterstand van de Niers maakte het
dikwijls echter onmogelijk om de kerk te bezoeken. Daarom bouwde
men kort na het jaar 1000 een aparte kapel op de noordelijke oever
van de Niers, welke vervolgens omstreeks het jaar 1400 vervangen
werd door een kerk en van die tijd dateert de parochie Ottersum.
De Niers was de scheiding tussen de twee parochies. De kerk van
Ottersum werd echter nog steeds beschouwd als een dochter van die
van Gennep en als teken daarvan trokken de parochianen ieder jaar
plechtig onder leiding van hun pastoor naar Gennep om deel te
nemen aan de grote processie op H. Sacramentsdag.
Ottersum
was echter qua oppervlakte een veel grotere parochie dan Gennep en
vanwege de uitgestrektheid ging men vervolgens weer over tot de
oprichting van buurtkapellen. Zo kwam er in Milsbeek een
buurtkapel van O.L. Vrouw. De kapel, die al vermeld staat in een
Gennepse schepenakte van 24 juli 1541, zou ergens tussen de Rijksweg
en de Bloemenstraat hebben gestaan. Deze kapel is bij de belegering van
het Genneperhuis in 1622 afgebroken door Hollandse soldaten om een vrij schootsveld
te verkrijgen naar het Genneperhuis.
Na
de opheffing van de kapel moesten de Milsbekers dus weer elders ter kerke.
Vanwege
de grote loopafstand ging een groot gedeelte naar Middelaar en een
kleiner gedeelte naar Gennep. Volgens een aantekening van pastoor
Jan van Berkel van Ottersum uit 1835 gingen de meeste Milsbekers
ter kerke in Gennep en in Middelaar. Het kleinste deel ging naar
de eigen parochiekerk in Ottersum.
|
|
Ontstaan van de naam Milsbeek
In 1329
wordt voor zover bekend voor het eerst verwezen naar Milsbeek. De
naam Milsbeck duikt dan op in een rentenregister van het klooster
Gräfenthal. De naam
Milsbeek komt daarna in een andere vorm weer voor in 1389. De abdij van
's-Gravendal of Nieuwklooster te Asperden aan de Niers bezat toen
een boerenhoeve genaamd "supra Milsbeke". Deze hoeve was
gelegen aan de "Milsbeek", zijnde de beek die de
zuid-oostgrens vormt van de huidige parochie. Later is de Milsbeek
in de volksmond de Kroonbeek geworden. De Milsbeek ontleende haar
naam van de beek die roestbruin water bevat, omdat zij uit een
moerassig veen komt. Mil
betekent roestkleurig water.
Ook komt de
naam Milsbeek in oude geschriften voor, als er gesproken wordt
over de tol, die werd geheven bij de overgang over de genoemde
beek. Die overweg was gevestigd nabij "De drie kronen",
welke zo genoemd was naar een drietal grote lindebomen die daar
ooit gestaan hebben. Dat punt werd vroeger ook wel "stenen
brug" genoemd. Daar was een tol gevestigd door de heer van
Gennep die op het Genneperhuis woonde. Ieder die er passeren wilde
moest tol betalen, tenzij ze bijzondere voorrechten hadden. Zo
bezat de Abdij van Kamp bij Gelder in 1458 vrijdom van tol aan het tolstation "opter
Milsbeke opter Stenenbrugge" in de heerlijkheid Gennep.
De
eerste landkaart die, voor zover bekend, gewag maakt van Milsbeek
is een kaart met "Die Reichs waldt" uit de eerste helft
van de 17e eeuw van de hand van Nicolaes van Geelkercken.
Gaandeweg
is men, gezien vanuit Gennep en Ottersum, alle bewoners van het
gebied achter die beek "Milsbekers" gaan noemen. Men
woonde daar dus "op de Milsbeek".
|
|
De
late 19e eeuw
Over
de
tweede helft van de 19e eeuw weten we via de overlevering nog iets
van Milsbeek.
De
bebouwing
Zoals
al naar voren gekomen is, behoorde Milsbeek tot de gemeente
Ottersum en de bebouwing was voornamelijk aanwezig op de hogere
zandruggen en de oude doorgaande routes nabij de Bloemenstraat, Zwarteweg, Onderkant,
Langstraat en Oudebaan. Na de aanleg van de Rijksweg in 1845 werd
er vooral ook aan die belangrijke doorgaande route gebouwd.
Langs de Maas was dit gebied omgeven door
"de weerden". Een weerd of waard is "land in de
nabijheid van een rivier". De weerden waren uitstekend
weiland, maar veelal bezit van grootgrondbezitters of grote
boeren. Over de Maas moet een voetgangersveer zijn geweest waar
men met een roeiboot overgezet kon worden. Aan de andere zijde van
dit gebied lagen uitgestrekte moerassen en vennen. Hier doorheen
leidden twee wegen naar Groesbeek. Het waren de Zwarteweg en de
Heiweg. Het gebied dat bovenop de berg hier tussen in lag was het
landgoed de St. Jansberg. Het was eigendom van de baron Verschuur
die bovenaan de Heiweg woonde. Van de ruïnes van deze villa is
inmiddels niet veel meer over, maar ze zijn nog wel duidelijk te
zien.
De
ontginning
Het
grootste gedeelte van het bewoonde gebied bestond in feite uit
onvruchtbare zandgronden, destijds ontstaan door grote
zandverstuivingen bij het gedeeltelijk droogvallen van de
aanwezige rivierbeddingen. Door langdurige potstalbemestingen
waren deze gronden wat van een humuslaag voorzien en was er toch
wat landbouw op mogelijk geworden. Door het ontbreken van
kunstmest waren de opbrengsten echter gering, vooral in de drogere
zomers. Met veel noeste arbeid werd soms getracht de grond wat te
verbeteren door het opspitten van dieper gelegen leemlagen. Het
was een ontzettend arbeidsintensieve bezigheid welke vaak
plaatsvond in de winterdag, als er toch geen ander werk was.
Dezelfde noeste arbeid werd aangewend om het areaal cultuurgrond
wat te vergroten ten koste van de Siep en het veengebied. Hier was
het water echter grote vijand in plaats van de droogte.
Overleven
in
armoede
Er
heerste in die tijd in Milsbeek dan ook een geweldige armoede. Er
werd soms nog geleefd in een wat hier een plaggenhut werd genoemd.
Deze was met leem bepleisterd en had ook een lemen vloer. Om toch
wat te verdienen waren velen genoodzaakt om 's zomers in Holland
en Duitsland te gaan werken bij het binnenhalen van de oogst. Men
was dan soms maandenlang van huis, maar men verdiende tenminste
iets. Van brandstof voorzag men zich door te turven in het
Koningsven en het kappen van hakhout. Dit laatste groeide
voornamelijk op de hoogste zandruggen die voor de landbouw
helemaal ongeschikt waren. Bijna iedereen had wel zo'n stukje. Als
men er niet zelf over beschikte kon men bij de gemeente een
sprokkelvergunning halen om op de gemeentelijke eigendommen het
dode hout onder de bomen en struiken uit te halen of hier van af
te breken. In de omgeving van het huidige Sprokkelveld
had de gemeente zo nogal wat eigendom liggen en het gebied dankt
daar nu ongetwijfeld nog zijn naam aan.
Een
middel van bestaan was voorts het stropen. Dit hoeft eigenlijk
geen verbazing te wekken want deze mensen leefden en stonden nog
midden in de natuur en bovendien gebeurde het vaak
noodzakelijkerwijs om aan wat vlees te komen. Het gevolg van de
grote armoede was voorts, dat steeds meer jonge mensen wegtrokken
om hun heil elders te zoeken. Men ging eerst als boerenknecht of
-meid werken en vestigde zich later definitief in deze
welvarende streken. Men trok vooral naar Duitsland en vaak gingen
er hele families ineens. De plaatselijke bevolking groeide dan ook
slechts langzaam. In het midden van de 19e eeuw stonden er
verspreid over het hele gebied zo'n 60 woningen. Als een strakke
lijn werd in die tijd ook de kiezelweg van Maastricht naar
Nijmegen door Milsbeek aangelegd. Deze weg was nog door Napoleon
geprojecteerd maar niet meer in de Franse tijd in uitvoering
genomen.
|
|
Opkomst
van industrie in Milsbeek
Lokale
grondstof
De
westelijke grens van Milsbeek wordt gevormd door de Maas die zich
kronkelend door het Noord-Limburgse landschap slingert. Milsbeek
ligt aan de buitenzijde van zo'n kronkel en dit had tot gevolg dat
de Maas ter hoogte van ons dorp op een gegeven moment ondergraven
steile oevers had en dat de vruchtbare weerden sterk aan afkalving
onderhevig waren. De meanderbochten betekenden ook een omweg voor
het scheepvaartverkeer en ze belemmerden een snelle waterafvoer.
Vroeger,
voordat er vele van die bochten uitgehaald werden, kwamen overstromingen
van het gebied nabij de Bloemenstraat
dan ook veel vaker voor dan tegenwoordig. Aan deze overstromingen
schijnt de Bloemenstraat overigens ook haar naam te danken te
hebben. Het moet toen namelijk een straat zijn geweest met brede
grasbermen die plaatselijk wel 10 meter breed waren en de straat
moet helemaal door hebben gelopen - de restanten van die weg
liggen er nog over een grote lengte tussen de oude en de nieuwe
Rijksweg - tot in Gennep. Op die brede bermen kwam bij
overstromingen zowel Niers- als Maaswater terecht en derhalve ook
de bloemenzaden die deze rivieren uit een groot achterland (zowel
Frankrijk als Duitsland) meevoerden. Gecombineerd met die genoemde
brede bermen schijnt dat vroeger een prachtig bloeiend tafereel te
hebben opgeleverd. Vandaar de naam Bloemenstraat. Ter voorkoming
van verdere afkalving is men in 1895 begonnen de maasbedding langs
Milsbeeks grondgebied wat te verleggen en te verbeteren door het
aanbrengen van bazaltkeien. Een gevolg hiervan was dat er een
grote hoeveelheid klei vrij kwam en deze klei werd opgeslagen op
een terrein nabij de huidige steenfabriek.
De
aannemer van het verleggen van de maasbedding was een zekere uit
Panheel afkomstige Coolen en de grote berg klei inspireerde hem om
een steenfabriek te beginnen. De klei bleek namelijk van
uitstekende kwaliteit en hij kreeg het voor niets. De eerste industrie
in Milsbeek werd op die manier in 1898 geboren.
Milsbeek
heeft overigens nog korte tijd een tweede steenfabriek gehad. Deze
heeft gestaan nabij de bushalte die gelegen is tegenover de
Kortebaan. Het tijdstip van het bestaan moet rond 1910 hebben
gelegen. De leem werd ter plaatse gewonnen en het ontstane leemgat
is nog duidelijk langs de Rijksweg te zien. De hier aanwezige
grondstof was echter te droog en ongeschikt. Het fabriekje was
daarom geen lang bestaan beschoren. De plaats waar het fabriekje
heeft gestaan schijnt nog lang in het terrein te zien zijn geweest
en werd nadien "de ovenberg"
genoemd. De naam van de weg die thans door het industrieterrein
loopt herinnert er nog aan, al ligt deze weg niet over de
eigenlijke ovenberg.
De
graanmolen
Voor
het vermalen van de ter plaatse verbouwde granen tot veevoeder of
bakrogge was de agrarische bevolking tot 1909 aangewezen op de
molens van Coopmans in Ottersum en Verouden in Plasmolen. Met kar
en paard of met de kruiwagen moest men daar naar toe. In Milsbeek
zelf was geen molenaar aanwezig, uiteraard omdat de hoeveelheid
graan die hier verbouwd werd maar klein was.
Grad
Jacobs bracht hier in 1909 verandering in. Afkomstig uit
Overasselt had hij al molens gebouwd in Groesbeek en Heumen, maar
daar was hij vertrokken vanwege de concurrentie. Op een stuk grond
in het kampveld, waar nu pottenbakkerij "De Vuurvogel"
gevestigd is, mocht hij van zijn zwager Jan Janssen (wiens bijnaam
Rieke Jan een verwijzing was naar zijn vader Riek) een molen
bouwen. Een groot deel van de bevolking hielp mee met het
aanbrengen van de molenberg, waarvoor het zand uit een stukje
grond aan de overzijde van de Kampveldweg kwam. Het metselwerk
deed Jacobs zelf, en de onderdelen voor de molen werden bij de
molen in Heumen gehaald. Na het voltooien van de bouw kon Milsbeek
gaan profiteren van de eigen maalderij. Om extra inkomsten te
creëren wilde Jacobs later een café bij de molen beginnen, maar
deze stond op een daarvoor ongeschikte plaats. Om die reden bouwde
hij in 1923 aan de Rijksweg een nieuwe molen en een café (foto).
De molen heeft zwaar geleden in de oorlog, maar is nog steeds
bepalend voor het beeld van dat stukje Rijksweg.
|
|
De
eerste
wereldoorlog
De
van 1914 tot 1918 gevoerde bloedige strijd tussen de centrale
mogendheden (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Bulgarije en
Turkije) enerzijds, en de geallieerde mogendheden (waarvan de
Verenigde Staten, Engeland, Frankrijk en Rusland de belangrijkste
waren) anderzijds, heeft voor ons dorp Milsbeek grote gevolgen
gehad.
Niet
dat onze streek opnieuw oorlogsterrein werd. Er werd in Nederland
weliswaar gemobiliseerd - en hiervoor werden uiteraard ook nogal
wat Milsbekers onder de wapenen geroepen - maar het lukte
Nederland om neutraal te blijven en de gevechtshandelingen buiten
de deur te houden. De Pruisen waren onder Nederland langs, via
België, Frankrijk binnengevallen en de gemobiliseerde Nederlandse
eenheden behoefden niet in aktie te komen.
Neen,
de betrokkenheid van Milsbeek lag op een ander terrein. Het was
het terrein van de smokkel. Door de oorlog ontstond er in het
machtige rijke Duitsland namelijk een groot voedseltekort. Geld om
het voedsel te betalen was er daarentegen in overvloed. In het
neutraal blijvende Nederland was wel voldoende voedsel, maar de
grens was hermetisch gesloten. Er was zelfs een neutrale zone in
het grensgebied. Ideale voorwaarden derhalve voor het ontstaan van
smokkel in de grensplaatsen zoals Milsbeek.
De
smokkel begon in het klein. Goederen, die lokaal geproduceerd
werden of gewoon in de winkel gekocht konden worden, werden in
betrekkelijk kleine hoeveelheden heimelijk de grens overgebracht
omdat er daar een betere prijs voor te krijgen was. De smokkel
vond 's avonds en 's nachts plaats en de smokkelroutes liepen over
de vele smalle paadjes die door het Koningsven liepen naar het
Reichswald. Onderaan het Reichswald of in de nabij gelegen
gehuchten Grafwegen en Grünewald werden de goederen afgeleverd.
Veelal ging dit te voet met een pummel op de nek. Het woord "pummelen"
raakte dan ook al snel in zwang. De armoede kon op deze wijze voor
vele inwoners van die tijd verlicht worden. Het was echter geen
van gevaar ontbloot karwei. Er was in het grensgebied een
intensieve controle en er werd in bepaalde gevallen niet geaarzeld
om met scherp te schieten. Velen beleefden er dan ook hachelijke
avonturen en diverse inwoners belandden in het gevang of werden
gewond of gedood.
De
omvang van de smokkel werd gaandeweg groter. Vanuit Noord-Brabant
en vanuit het westen van het land werd via de Maas de smokkelwaar
in steeds grotere hoeveelheden aangevoerd. Met roeiboten werd dit
over de Maas gebracht. Nagenoeg alles werd gesmokkeld en bijna
alle Milsbekers waren er wel op de een of andere manier bij
betrokken. Er werden grote transporten georganiseerd waarvoor wel
40 á 50 dragers nodig waren. Ook de veesmokkel nam grote
afmetingen aan. Achter een roeiboot moesten paarden, ossen en
koeien zwemmend mee de Maas over. Ook dit was geen ongevaarlijk
karwei omdat velen niet eens konden zwemmen. Als men met onwillige
dieren te maken had stond het gammele roeibootje soms half onder
water, voordat men de overkant had bereikt. Hoe merkwaardig het
ook klinkt, het gevaar aan de grens was voor deze transporten
kleiner, omdat de kommiezen er vaak omgekocht werden.
Milsbeek
werd in deze smokkelperiode een welvarend dorp. Vooral de café's
en bierhuizen beleefden gouden tijden. Men pochte met de in korte
tijd veroverde rijkdom. Mensen die tot dan toe straatarm waren
geweest liepen voortaan in sjieke kostuums over de straat. Bekend
is het verhaal dat het voorkwam dat met een briefje van 25 of 100
DM de sigaar of pijp werd aangestookt. Maar hoe snel verging de
glorie weer toen de oorlog eenmaal goed en wel voorbij was. Er
waren er uiteraard geweest die het verdiende geld goed besteed
hadden en er de hypotheek mee hadden afgelost of er een boerderij
van gekocht hadden. Anderen hadden echter niet aan slechtere
tijden gedacht en alles wat ze verdiend hadden ook opgemaakt.
Schrijnend waren de tegenstellingen die voorkwamen. Degene die nog
maar kort daarvoor met een briefje van 100 DM de sigaar had
aangestoken, holde toen in de wei met een schop weer achter een
mol aan om het vel hiervan te kunnen verkopen.
Er
waren ook mensen die niet alles over de balk gegooid en toch alles
verloren hadden. Dat waren degenen die hun winst in Duitse marken
hadden belegd of bij de Hansabank in Gennep hadden ondergebracht.
Door het kapot gaan van de mark en het faillissement van de
Hansabank werd alles verloren.
|
|
Ontginning
van veen- en heidegebieden
Inmiddels
deed zich echter wel een andere ontwikkeling voor die van belang
was voor de bestaansmogelijkheid van de toen in hoofdzaak
agrarische bevolking van ons dorp en van de werkgelegenheid in
zijn algemeenheid. Het moerasgebied tussen de heuvelrug en -
globaal genomen - de Ringbaan en het Heiveld was omstreeks de
eeuwwisseling nog een groot onontgonnen terrein. Kort daarna begon
men toch langzamerhand meer en meer van dit gebied in cultuur te
brengen. Vanaf de Ringbaan en de Heiveldweg waren door de
plaatselijke bevolking allemaal kleine smalle perceeltjes van de
gemeente gekocht en in cultuur gebracht. De grote doorbraak in de
ontginning werd hier veroorzaakt door een aantal pioniers met de
benodigde financiële middelen en visie. Door kunstmest was men
niet langer aan de veebezetting of de natuurlijke vruchtbaarheid
van de grond gebonden. Zij slaagden er in Noord-Limburg in om
grote stukken veengrond voor een aantal jaren in erfpacht van de
gemeenten te verkrijgen. Het was een zekere Jaeger die op die
wijze aanvankelijk van de gemeente Ottersum een enorme oppervlakte
- vanaf de Langehorst in Ottersum tot aan de Hel in Milsbeek in
pacht kreeg om te ontginnen en hier de grote stoot gaf tot
ontginning van het uitgestrekte veen- en moerasgebied. Dit recht
werd later doorverkocht aan Kuhn en Kaan. Kaan verkreeg het gebied
op de Langehorst en Kuhn het in Milsbeek
gelegen gedeelte. Dit liep in feite vanaf de langs het Heiveld en
de Ringbaan gelegen akkers tot onderaan de heuvelrug, echter met
uitzondering van het gebied tussen de Koningsvenweg en het
Reichswald. Dit was het turfven dat was versnipperd in vele
Kleine gedeelten en voor een groot gedeelte in eigendom
toebehoorde aan de Milsbekers, die het in perceeltjes van 1 á 2 hectare
hadden gekocht van de gemeente om er te turven.
De
ontginning gaf naast werkgelegenheid aan de plaatselijke bevolking
ook een grote stimulans aan de landbouw in onze streek. Ze gaf het
voorbeeld tot het gebruik van kunstmest en in navolging daarvan
werd dit ook gebruikt door hier gevestigde boeren en keuters,
hetgeen leidde tot hogere opbrengsten en een beter bestaan.
|
|
Aanzet
tot dorpsvorming
Een
dorp krijgt pas een bloeiend verenigingsleven als het een eigen
kerk en een eigen school bezit. Maar voordat het zover was, was er
in Milsbeek toch al duidelijk sprake van een leefgemeenschap met
bepaalde eigen voorzieningen. Het Milsbeek van 1920 tot 1930 had
namelijk wat eigen ambachtslieden, winkels en vooral café's en
bierhuizen (verlof B). Te beginnen bij de ambachtslieden zijn er
op te noemen 3 schoenmakers, een tweetal kleermakers (toen snijers
genoemd), een dakdekker, een slager, een smid, een metselaar/stucadoor,
een melkhandel, een aannemer en een
bakker.
Ook
waren er in Milsbeek 3 winkels. De café's en bierhuizen waren
aanmerkelijk groter in getal en 't waren er ook veel meer dan het
er vandaag de dag zijn. Nu moet daar wel bij aangetekend worden
dat al deze beroepsbeoefenaars niet fulltime caféhouder waren.
Men had er vaak iets anders bij. Veelal een winkel of een
keuterij. Maar het aantal was desalniettemin toch indrukwekkend; 3
aan de Rijksweg, 4 aan de Zwarteweg en 2 aan de Bloemenstraat, en
daar zijn de 3 "grote" straten van toen mee genoemd.
Het
grote volksvermaak was toen nog het beugelen. De café's van Dorus
Laarakkers en Grad en Hanneke Voss hadden een overdekte beugelbaan
en ook enkele niet-caféhouders waren in het bezit van zo'n
beugelbaan. Het beugelen vond vooral plaats op de zondagmiddagen.
De beugelbanen waren lemen banen met opstaande rand die een
afmeting hadden van 10 á 12 meter bij 5 á 6 meter. De houten bal
ter dikte van zo'n 12 cm. moest met een houten handspaat door een
in het midden bevestigde ijzeren ring worden geslagen.
Er
werd ook al kermis gevierd, zij het dat het tijdstip van de kermis
nog gelijk was aan de Ottersumse kermis. Bij enkele café’s in
het gebied stond dan een tent. De aanzet voor een dorp was
derhalve duidelijk aanwezig.
|
|
Opkomst
van verenigingsleven
De
allereerste aanzet tot een eigen verenigingsleven in Milsbeek is
volgens overlevering geweest het geven van toneeluitvoeringen in
het café van Voss aan de Zwarteweg. Het moet omstreeks 1910 zijn
geweest. Een lang leven was "de toneelclub" van toen
echter niet beschoren. Het kwam slechts tot het geven van een paar
voorstellingen.
Een
volgende aanzet was de oprichting van een fanfare in 1922. Jan
Brouwers had kontakten in Duitsland en tikte daar wat instrumenten
op de kop. Het gebeurde allemaal voor eigen rekening en
contributie werd er niet geheven. Zo'n 10 a 12 man werden er lid
en de fanfare repeteerde in het café van Hen Driessen. De
dirigent kwam uit Ven Zelderheide. Het was echter een aflopende
zaak. Op een gegeven moment waren alle instrumenten verkocht en
kon er niet meer geblazen worden.
Men
had echter de smaak te pakken en begin 1924 waren Sjaak Jacobs en
Drikus Janssen de initiatiefnemers van een nieuwe fanfare. Het
geld voor de aankoop van de instrumenten werd geleend en er werd
gerepeteerd bij Gradje Jacobs in het café. Niet alle leden van de
vorige fanfare wilden echter lid worden. Enkele goede muzikanten,
afkomstig uit de Bloemenstraat, waren lid van de fanfare in Ven-
Zelderheide en hadden zich ten behoeve van het eerste initiatief
bij die fanfare afgemeld. Inmiddels waren ze daar weer lid
geworden. Om die vereniging nu weer in de steek te laten vond men
te veel van het goede. Het leidde tot grote spanningen die
uiteindelijk tot uitbarsting kwamen op de Gennepse kermis en
resulteerden in een grote ruzie die nog heeft gediend voor de
rechtbank van 's-Hertogenbosch. Ondanks de moeilijke aanloop bleef
de fanfare bestaan en het levende bewijs is daar vandaag de dag
nog fanfare Crescendo van.
Ook
op het voetbalfront kwamen er ontwikkelingen. Aan beide zijden van
de Rijksweg werden er initiatieven ontwikkeld. Aan de oostzijde
werd MVV (Milsbeekse Voetbal Vereniging) opgericht. Met de ezel
van Vic Geene werd daar waar thans de sportzaal staat een veldje
gelijk geschoven en er kon naar hartelust gevoetbald worden. Het
initiatief reikte zelfs zover dat men het officiëler ging doen.
Men ging contributie vragen en stelde een penningmeester aan. Maar
helaas, de kersverse penningmeester raakte met de kas op de kermis
in Middelaar verzeild en de club ging failliet.
Beter
ging het de initiatiefnemers aan de andere zijde. Hier werd in
1928 (maar er zijn er die beweren dat het in 1929 was) BVV (Bloemenstraatse
Voetbalvereniging) opgericht. Het clublokaal werd gevestigd bij
Hen Driessen en men voetbalde aanvankelijk op de Breukelseberg
welke lag nabij de Smelenhofweg. Deze vereniging bleek wel
levensvatbaarheid te bezitten en na enkele naamsveranderingen is
dit nu de S.V. Milsbeek.
|
|
Het
initiatief voor eigen kerk en school
Met
de opkomst van het verenigingsleven begon ook de drang naar een
eigen kerk en school groter te worden. Op de eerste plaats was
daar natuurlijk de grote afstand tot Ottersum de oorzaak van. De
mensen die aan de zuidzijde van ons dorp woonden gingen wel nog
veelal in Ottersum naar de kerk, zoals ook de mensen die een
rijtuig hadden. Een gedeelte van de rest van de bevolking, die de
afstand te voet af moest leggen, koos echter voor de dichterbij
gelegen kerk van Middelaar. Ook de gang naar school was - vooral
in de winterdag - een ontzettend karwei voor de kinderen.
Daarbij
kwam ook nog wel een ander motief.
In
de cafés in Ottersum werd door de Milsbekers na de zondagse
kerkgang veel verteerd en als er in Milsbeek een eigen kerk kon
komen dan zou dit geld op de Milsbeek blijven. Het zal dan ook wel
niet toevallig zijn dat het merendeel van de initiatiefnemers
Milsbeekse caféhouders waren.
Het
verlangen naar een eigen kerk en school werd enorm aangewakkerd
toen er geruchten circuleerden dat men in Ottersum een nieuwe kerk
wilde bouwen ter vervanging van de oude kerk die aan de overzijde
van de St. Jansstraat stond. De argumenten van Pastoor Heymans
waren dat deze te oud en te klein was.
Dit
was natuurlijk het moment dat er aktie moest komen. Vooral Gradje
Jacobs, die toen raadslid was, moet in het begin in de raad en in
de "Gennepse krant" al het mogelijke hebben gedaan om te
geraken tot een situatie dat de oude kerk in Ottersum zou blijven
staan en de nieuwe kerk in Milsbeek zou komen. Als goed politicus
schijnt hij - toen de bouw van een nieuwe kerk in Ottersum
onafwendbaar leek - nog een compromisvoorstel te hebben gedaan,
namelijk het bouwen van de nieuwe kerk in Aaldonk. Dan zouden
zowel de Ottersummers als de Milsbekers een eind moeten lopen,
maar vele Milsbekers tenminste niet zo ver meer.
In
Milsbeek zelf werd intussen een comité gevormd om een kerk en een
school van de grond te krijgen. Pastoor Heymans van Ottersum was
sterk tegen dit initiatief gekant. Hij zag met lede ogen de
dreiging van een vermindering van het aantal zielen naderen en
bovendien vreesde hij dat de bouw van een nieuwe kerk in Ottersum
door dit initiatief de mist in zou gaan. De arme man raakte door
het gedram van de Milsbekers totaal overspannen. Een aantal
initiatiefnemers viel hierdoor af. Men vond het niet meer
verantwoord om verder te gaan. De overblijvers kregen het niet
gemakkelijk. Langzamerhand werd men als een soort rebellen gezien.
Er
volgde een gesprek met deken Kreyelmans uit Gennep. Hij was een
van de weinige gezagsdragers van wie men wat steun ondervond. Hij
raadde de initiatiefnemers aan er voor te zorgen dat er alvast wat
van het broodnodige geld kwam en hij bood aan het onder zijn
beheer te nemen. Ook het advies dat hij desgevraagd aan de
bisschop van Roermond moest geven was niet ongunstig. Het antwoord
op de vraag of de stichting van een nieuwe parochie nodig was moet
zo ongeveer geluid hebben "niet nodig, maar wel
raadzaam".
Men
ging vervolgens huis aan huis voor geldelijke bijdragen en hierbij
kreeg men op plaatsen de wind van voren. Anderen geloofden weer
niet in de haalbaarheid van het initiatief. Zo moet Thei Laemers -
die de eigenaar was van de grote boerderij nabij "de stenen
Brug" - gezegd hebben: "Als het lukt krijg je f 10.000,-
van
mij, maar het lukt jullie evenmin als dat ik met mijn handen de
hemel kan grijpen". Het doorzettingsvermogen van de Milsbekers
is echter bekend en het leidde tot resultaat.
|
|
Oprichting
van de parochie Milsbeek
In
april 1930 werd kapelaan L. Hoefnagels uit Baarlo bij Mgr.
Schrijnen, de
bisschop
van Roermond, ontboden. Hem werd onder geheimhouding verteld dat
men hem tot bouwpastoor te Milsbeek wilde
benoemen. Kapelaan Hoefnagels aanvaardde de uitdaging. Bij de
algemene benoemingen in september werd tenslotte de intentie tot vorming van
een nieuwe parochie Milsbeek bekend gemaakt. Op 21 november van
dat jaar schreef Mgr. Schrijnen een brief aan de priesters en
parochianen van Ottersum, waarin hij de noodzakelijkheid van de
parochie Milsbeek aangaf. Tevens stelde hij grenzen voor en gaf de
nieuwe parochie haar titel: O.L. Vrouwe van Altijddurende
Bijstand. Wie bezwaren had kon deze binnen acht dagen bij Heer
Deken van Gennep bekend maken. De
officiële oprichtingsakte van Milsbeek dateert van 9 december 1930.
De nieuwe parochie
kreeg alle parochiële rechten en voorrechten.
Tegelijkertijd en in die tijd onlosmakelijk
met elkaar verbonden kwam er toen een lagere school in Milsbeek
die - en dat was in die tijd een vrij zeldzaam verschijnsel - van
het begin af aan bestemd was voor zowel jongens als meisjes. Het
schoolgebouw kwam eerder gereed dan de kerk en werd indertijd
vervolgens als noodkerk in gebruik genomen.
De
nieuw gevormde parochie telde 146 gezinnen.
|
|
De
bouwplaats

Bouwpastoor
Hoefnagels vestigde zich in oktober in het zusterklooster te
Gennep en enkele maanden later in een woonhuis
aldaar. Pastoor Hoefnagels
bleek een goede greep te zijn als bouwpastoor want hij toonde zich
uiterst aktief en initiatiefrijk. Naast het pastorale werk nam hij
ook zeer voortvarend de zakelijke dingen ter hand. Belangrijk
waren natuurlijk de financiën. Het door de initiatiefnemers
opgezette plan met intekenlijsten voor bepaalde bedragen werd
verder uitgebouwd. Maar daar bleef het niet bij. Pastoor
Hoefnagels trok van parochie tot parochie (in totaal meer dan 40)
om een kerk bijeen te preken en hij moet voor het goede doel de
bevolking van Milsbeek afgeschilderd hebben als "een volkje
van smokkelaars, stropers en halve heidenen" waar het bouwen
van een kerk en het brengen van de christelijke boodschap heel erg
hard nodig was. Bekend is ook het niet zo geslaagde initiatief om
in Texel een groot aantal lammeren te kopen. Deze konden door de
Milsbekers voor een zomer "geadopteerd" worden en
moesten als schapen in de herfst een aardig centje opbrengen.
Maar
er moest meer gebeuren, zoals het uitzoeken van een bouwplaats
voor de kerk. Alle mogelijke ideeën werden door de plaatselijke
bevolking aangedragen, waarbij zich waarschijnlijk de caféhouders
weer niet onbetuigd hebben gelaten. Wie namelijk de kerk voor de
deur zou krijgen was "binnen". Plaatsen van overweging
zijn er in ieder geval genoeg geweest. Uiteindelijk viel de
beslissing ten gunste van een perceel aan de Zwarteweg ter hoogte
van de huidige Pastoor Hoefnagelsstraat. Gedeeltelijk werd het
bouwterrein geschonken door de familie Lamers en gedeeltelijk was
het de plaats waar het afgebrande café had gestaan van Grad en
Hanneke Voss. Deze hadden even verderop een nieuw huis met winkel
gebouwd.
Pastoor
Hoefnagels oordeelde het perceel echter te klein en het gelukte
hem een hierachter gelegen perceel grond van ca. 1½ ha. te
verwerven. Het was een terrein dat grotendeels bestond uit een
grote zandheuvel met eiken hakhout. Hier had ongeveer op de plaats
tussen de huidige pastorie en het patronaat in een soort
plaggenhut een vrijgezel gewoond, die veel turfde in het
Koningsven.
Vanaf
de Zwarteweg werd de Pastoor Hoefnagelsstraat aangelegd en deze
liep
-
voordat later de Kerkstraat en de Pastoor Hoefnagelsstraat
gereconstrueerd werden - recht op de kerkdeur aan, zonder door een
trap onderbroken te worden. De straat is ook nog lang eigendom van
de kerk geweest.
Toen
de bouwplaats gereed was kwam de bouw zelf aan de beurt. Architect
was de heer Coumans uit Nijmegen welke een studievriend van
pastoor Hoefnagels was en zijn talent en arbeid gratis beschikbaar
stelde. Hij stelde er een eer in een kerk te mogen bouwen zonder
honorarium.
De
pastorie werd gebouwd door Drikus Lemmen uit Milsbeek die toen
juist in Milsbeek een aannemersbedrijf begonnen was. De
bouwkosten, groot f 7710,-, werden voldaan met de gelden die de
parochie Ottersum in beheer had door de uitkoop van de zgn.
kapelaansgronden op de Wankum.
De
bouw van de kerk zelf was echter iets dat de mogelijkheden van de
plaatselijke aannemer te boven ging. Het werk werd uiteindelijk
gegund aan aannemer Geraerdts uit Blerick voor een bedrag van f
38.000,-. Bedongen werd wel dat tenminste een vijftal inwoners in
dienst genomen moesten worden. Omdat de metselaars en timmerlieden
toen in ons dorp nog niet zo dik gezaaid waren, werden het
voornamelijk opperlieden uit ons dorp die aan de kerk werkten,
voor een weekloon van f 18.-, indertijd een best betaalde baan.
In
de kerk werd door René Smeets uit Ottersum een prachtige
muurschildering aangebracht (foto's).
Deze is later overgeschilderd om plaats te maken voor een soberder
uiterlijk van de kerk.
|
|
Het
eerste functioneren van de
parochie
Al
voordat de kerk klaar was kwamen de pastorie en de school
gereed en de school werd meteen maar in gebruik genomen als
noodkerk. Reeds in december 1931 werden er H. Missen opgedragen en
de Milsbekers hoefden niet meer door de kou naar Ottersum. Er
wordt verteld dat men in Ottersum niet wist wat hen overkwam toen
de Milsbekers daar wegbleven. Het werd er akelig stil op de
zondagen. Men had altijd op de Milsbekers neergekeken, maar toen
ze niet meer kwamen was de gezelligheid verdwenen. Men miste ze nu
toch wel!
In
januari 1932 werd de kerk al in gebruik genomen en pastoor
Hoefnagels werd feestelijk bij "De Drie Kronen"
ingehaald. Sjaak Jacobs was de eerste die er trouwde, te weten op
2 februari 1932, terwijl op 8 februari de eerste dopeling er werd
gedoopt. Dit was Jan Franken.
Er
moest natuurlijk ook een koster komen. Dit werd Thei Peters, die
getrouwd was met Marie Krebbers. Hij bouwde een woning tegenover
de kerk. Al snel veranderde zijn naam in "Thei de Köster"
en later - na zijn al spoedige overlijden in 1934 - werd het zijn
vrouw ("Marie de Köster") die jarenlang als kosteres
fungeerde.
Wat
er ook moest komen was een koor. Aan belangstelling was er geen
gebrek, al was er nog wel wat oefening nodig voordat het niet meer
voorkwam dat de zaak stil viel. Door het grote enthousiasme van
het eerste begin groeide de groep op een gegeven moment wel uit
tot een 30 man. Later stabiliseerde het koor zich op een man of
twaalf. De
eerste dirigent werd het nieuwe hoofd van de school. Dit was
meester Hendrickx, die door Pastoor Hoefnagels uit Baarlo was
meegebracht.
|
|
Milsbeek
in de crisisjaren

Nadat
de parochie Milsbeek werkelijkheid was geworden, groeide de
saamhorigheid en de gemeenschapszin in het dorp. Ondanks de
crisisjaren waarin men terecht kwam, groeide het dorp toch
redelijk. De middenstand kreeg nieuwe impulsen en rond de kerk,
waar tot dan toe nauwelijks bebouwing aanwezig was, formeerde zich
al snel een groepje winkels. De bouwterreinen hiervoor werden
voornamelijk door de kerk - die alle grond tussen de kerk en de
Zwarteweg in haar bezit had - verkocht.
Hierop
bouwde Vic Geene een bakkerswinkel, Thei Peeters een winkel in
koloniale waren, Wim Meeuwssen een textielwinkel, Wim ten Haaf een
schoenwinkel en Ties Hubbers een kapperszaak. Er kwam ook een café
en wel “’t Centrum”, maar niet met de medewerking van de
kerk.
Wat
enorm groeide was verder het verenigingsleven. Ook de kerk droeg
hier aan bij door een patronaat te bouwen voor het jeugd- en
verenigingswerk. Het was een vrij unieke voorziening voor die
tijd.
De
fanfare en de voetbalvereniging kwamen tot grote bloei en al
spoedig voegden zich na het ontstaan van de parochie daarbij het
kerkelijk zangkoor en de toneelvereniging ONA. Het patronaat bood
voor het geven van toneeluitvoeringen een prima gelegenheid.
Overal
in de gemeente werden ook nieuwe woningen gebouwd. Dit gebeurde
voor de oorlog echter nog niet specifiek in de nieuwe kern, feit
was wel, dat Milsbeek als leefgemeenschap duidelijk gestalte had
gekregen.
|
|
De
pottenbakkers in Milsbeek
Een
ontwikkeling die in dit stukje geschiedenis niet onvermeld mag
blijven is de opkomst in deze jaren van de pottenbakkerijen in
Milsbeek, waardoor ons dorp zeer zeker een grote bekendheid heeft
verworven.
Reeds
in de 1 7e (gouden) eeuw moeten zich in Milsbeek enkele
pottenbakkers gevestigd hebben, welke volgens overlevering uit
Sonsbeck afkomstig moeten zijn geweest. Er zijn nog aanwijzingen
voor de aanwezigheid van oude vestigingen van pottenbakkers. Aan
de Bloemenstraat staat op oude kaarten een plaats aangeduid als
"pottenbakkerij", terwijl een akker aan de
Rozenbroekstraat ooit "de akker van de pottenbakker"
werd genoemd.
De
pottenbakkers van die tijd maakten gebruiksvoorwerpen zoals
kruiken, schalen, tabakspotten enzovoort. Ze zijn echter verdwenen
door de opkomst van de industrie en de hiermee gepaard gaande
automatisering. Met name Regout in Maastricht heeft de stoot
gegeven tot de automatisering die uiteindelijk de kleine
ambachtsman verdrong.
Slechts
degenen die hier tijdig zijn overgeschakeld op de fabrikage van
bloempotten hebben dit overleefd. Hiertoe behoorden Döt en Jan
Liebrand uit Ottersum en Van Arensbergen uit Gennep. Van daaruit
zijn de pottenbakkerijen weer in Milsbeek terecht gekomen. Er
waren namelijk een aantal Milsbekers die daar werkten en in de
jaren dertig als zelfstandige in Milsbeek begonnen. De eersten
waren Jan en Wim Bindels uit de Potkuilen. Nadat Jan korte tijd
bij Van Arensbergen en nog kortere tijd bij Liebrand gewerkt had
bouwde hij in 1930 geheel in eigen beheer een fabriekje in de
Potkuilen en begon men in 1931 met de productie. Met name Jan moet
een waar genie zijn geweest. Hij verstond niet alleen uitstekend
de pottenbakkerskunst, maar ontwikkelde en bouwde later - de
eerste jaren was alles nog handwerk - de eerste pers hier in de
omgeving en gaf op die manier de eerste stoot tot mechanisatie van
de pottenfabrikage. Ook bouwde hij voor de latere collega's in
Milsbeek diverse ovens.
De
volgende was Bertje Arts in 1934, enkele jaren later gevolgd door
de Gebr. van den Hoogen, Wim Jansen en Peter Linders, en nog weer
later door de Gebr. Grutters, Herman Wientjes, Wim Jansen met een
nieuw fabriekje en Bart Wijnhoven. In 1952 bouwden de pioniers Jan
en Wim Bindels nog een nieuwe fabriek aan de Molenweg (thans
Ovenberg) omdat men in de Potkuilen geen electriciteit kon
krijgen. Milsbeek was een echt pottenbakkersdorp geworden met een
concentratie die gerust uniek genoemd mocht worden in Nederland.
De
potklei die voor de fabrikage benodigd
was, werd gewonnen in het gebied de Potkuilen en het Rozenbroek.
De afkomst van "Potkuilen" laat zich gemakkelijk raden.
Gefabriceerd werden voornamelijk bloempotten, in het begin vooral
voor het gebied rondom Lent. Gestookt werd er vooral met
takkenbossen en afvalhout. De steeds verder gaande automatisering
heeft ook hier echter weer zijn invloed doen gelden en in de jaren
zestig verdwenen door schaalvergroting weer vele fabriekjes.
De
pottenbakkerijen blijven nog steeds hun stempel drukken op
Milsbeek en deze bedrijvigheid heeft er zelfs toe geleid dat de
huidige koningin Beatrix destijds een bezoek heeft gebracht aan
Milsbeek, namelijk op 6 mei 1960 aan de pottenbakkerij "De Olde
Kruyk" (Foto). Inmiddels heeft de jaarlijkse keramiekmarkt Keramisto
internationale bekendheid verworven en daarmee Milsbeek verder op
de kaart gezet.
|
|
Oorlogsjaren

Nadat
de bevolking er al maandenlang op was voorbereid en men het al
enkele weken in het Reichswald had horen rommelen, maakte Milsbeek
op 10 mei 1940 kennis met het Duitse leger. De inname van ons dorp
gebeurde vrij geruisloos. Het onder water lopen van het ven, een
geplande verdedigingsaktie, was een totale mislukking. De
eigenlijke verdedigingslinie lag bij de Maas, waar op de
Noord-Brabantse zijde overal de betonnen kazematten waren gebouwd,
waarin het geschut van het Nederlandse leger was opgesteld. De
bewoners van het gebied langs de Maas aan deze zijde hadden te
horen gekregen dat men zo snel mogelijk naar de aangewezen
adressen aan de overzijde van de Rijksweg moest als de brug in
Gennep zou springen. De brug in Gennep sprong door verraad echter
niet en de Duitsers trokken hier praktisch ongehinderd binnen. De
enige schoten die op Milsbeek werden gelost, werden abusievelijk
gelost door Nederlandse soldaten in de bunkers aan de overzijde op
de boeren die op het laatste nippertje het vee dat langs de Maas
liep in veiligheid wilden brengen.
Milsbeek
was bezet. De schade die was veroorzaakt viel echter mee en ook
een groot gedeelte van de verdere oorlog had Milsbeek nog niet
zoveel te lijden van de bezetting. Het venijn zat echter in de
staart.
Rampspoed
kwam over ons gebied in de laatste 4 maanden van 1944 en de eerste
4 maanden van 1945. In Mook, Middelaar en Plasmolen kwam in feite
het eigenlijke front te liggen en ook Milsbeek kwam in de
vuurlinie, hetgeen verschillende doden en zwaargewonden eiste. We
kwamen in september 1944 dicht bij de bevrijding (het bevrijde
gebied liep tot aan het viaduct in Mook) en de Duitsers trokken al
terug. De slag om Arnhem werd echter door de geallieerden verloren
en de Duitsers kwamen terug en de strijd ging verder. Het
uiteindelijke gevolg daarvan was dat de bevolking van Milsbeek
moest evacueren. Via een grote omweg over Duitsland trok men met
duizenden via 's-Heerenberg en Gendringen naar het noorden. Velen
uit Milsbeek kwamen uiteindelijk in de buurt van Utrecht terecht.
Ruim tien jaar na het gereed komen van de kerk
heeft ze zwaar te lijden bij de gevechten in februari 1945, als de
Engelsen na maanden genesteld te zijn in de beboste Plasmolense
heuvels deze uitkomen en verbitterde gevechten leveren om de
aanwezige Duitse stellingen. De strijd om de streek tussen
Plasmolen en Gennep, de Maas en het Rijkswald kost veel jonge
Britse levens. Deze militairen liggen op het eregrafveld achter de
Milsbeekse kerk als blijvende herinnering aan die natte, koude
februaridagen 1945, de dagen van de bevrijding van een ontvolkte
streek.
De
overgrote meerderheid van de Milsbeekse bevolking keerde in mei
1945 berooid terug. De oorlog eiste ook na de thuiskomst nog eens
een groot aantal doden en zwaargewonden. De namen van 19 inwoners
die door oorlogshandelingen en ongelukken omkwamen staan vermeld
op een gedenkteken dat bij de kruising van de Kerkstraat en de
Langstraat is aangebracht.
De
schade na de oorlog was zoals al gezegd enorm. De kerk had zwaar
geleden. Engelse granaattreffers hadden het dak zwaar beschadigd
en stukken uit de muren geslagen. Het priesterkoor miste zijn
gewelven en de boog was gescheurd. Het interieur van de kerk was
verder zowel door Duitse als geallieerde soldaten zwaar vernield.
De hoofdzakelijke reden dat de kerktoren nagenoeg intakt was
gebleven, was dat deze niet als uitkijktoren kon dienen, en dus
geen opzettelijk doel vormde.
Van
de steenfabriek was niet veel meer over. De schoorsteen was door
de Duitsers als vuurleiding gebruikt en daarom - toen dit uitlekte
- in elkaar geschoten. De stoffelijke resten van de wachtpost
werden na de oorlog nog in de op de grond liggende stukken
teruggevonden.
Ook
de burgerbebouwing had zware schade opgelopen door de oorlog. Een
aantal huizen was onherstelbaar beschadigd. Men ging in de eerste
periode wonen in die huizen waarvan nog gedeelten met eenvoudige
middelen "droog" te maken waren en er werd met meerdere
gezinnen in een huis gewoond. Voor de allereerste
gebruiksartikelen zorgde de H.A.R.K. (Hulp-Aktie-Rode Kruis).
Andere artikelen waren praktisch niet verkrijgbaar. Later werden
er noodwoningen gebouwd. Voor degenen die een boerderij hadden bij
de woning zelf, voor de overige burgers werden noodwoningen langs
beide zijden van de Kerkstraat gebouwd. Deze hebben er nog vrij
lange tijd gestaan. Het was in feite de eerste gesloten bebouwing
in het dorp. Andere bleven noodgedwongen gedurende de eerste jaren
na de oorlog inwonen. Het was behelpen.
|
|
Wederopbouw
en groei
In
de wederopbouw kreeg Milsbeek pas een echte woonkern. Aan de
Zwarteweg, Langstraat en Schoolstraat werden burgerwoningen
gebouwd voor degenen die tot dan in de noodwoningen of bij anderen
in hadden gewoond, dan wel een nieuw gezin gingen vormen. Er kwam
toen pas duidelijk een bebouwde kom rondom de parochiekerk tot
stand.
Een
minder prettige omstandigheid was dat een aantal jongemannen ook
uit onze parochie al weer snel naar Nederlands-Indië moest. In
deze dagen kon men echter zien hoe in de oorlogstijd de
gemeenschapszin gegroeid was. Het hele dorp leefde mee. Onder
leiding van Pastoor Reintjes en Mej. Murkens kwam er een
thuisfrontcomité. Allen zijn gelukkig behouden teruggekeerd.
Wederopgebouwd
na de oorlog telde Milsbeek rond 1950 zo'n 1000 inwoners. En men
kwam toen terecht in de jaren van grote economische groei. Van een
in hoofdzaak armoedig dorp voor de oorlog, groeide Milsbeek na de
oorlog naar een welvarend dorp toe. Milsbeek groeide direkt na de
oorlog al sneller dan voordien vergelijkbare plaatsen als Ottersum
en Middelaar.
De
Kerkstraat was inmiddels uitgegroeid tot het kloppende hart van
het dorp waar het overgrote gedeelte van de winkels gevestigd was.
Een winkelbestand dat er voor die tijd mocht zijn. Er waren ook
nieuwe verenigingen bijgekomen, zoals de biljartvereniging
"Nooit Gedacht", de plattelandsvrouwen, de
vrouwenbeweging van het NKV en de hengelsportvereniging "De
Goede Vangst". En niet te vergeten het Oranjecomité dat in
eerste instantie tot taak had de bevrijdingsherdenking en voor de
kinderen het St. Nicolaasfeest te organiseren. De taakstelling
werd later ruimer. Het werd een overkoepelend orgaan voor alle
verenigingen en de naam werd gewijzigd in "Milsbeek
Vooruit".
In
de periode dat pastoor Van de Loo hier kwam (1962) was Milsbeek
zoals gezegd al aan een flinke groei bezig. In het gebied van de
Gildestraat en Kanonskamp werden de gemeentelijke
uitbreidingsplannen gerealiseerd voor de opvang van de
woningbehoefte voor de eigen bevolking. Er werden vele voor de
eigen bevolking betaalbare woningen in Milsbeek gebouwd. Het feit
dat Milsbeek in de oude gemeente Ottersum lange tijd over twee
wethouders beschikte zal hiertoe ook ongetwijfeld veel aan hebben
bijgedragen. Langzamerhand kwamen daar ook de eerste vreemdelingen
tussen, welke geen specifieke binding met Milsbeek hadden.
De
ontwikkeling die aan de andere zijde van de Rijksweg in de
omgeving van de Sprokkelveldstraat en de Bloemenstraat plaatsvond
was een geheel andere. Oud-burgemeester Janssen heeft er zich voor
ingezet dat zich daar nabij de steenfabriek wat semi-agrariërs
zouden kunnen vestigen, welke een eigen bedrijfje met wat
champignons, varkens of kippen zouden kunnen beginnen. Daarnaast
zou men bijvoorbeeld op de steenfabriek kunnen werken, zoals dat
vroeger wel het geval was. De werkelijkheid pakte echter anders
uit. De bedrijfsvergroting in de landbouw zette in en aan
dergelijke half-agrarische bedrijfjes was geen behoefte. De eisen
die er qua grond en bedrijfsoppervlakte werden gesteld, waren
bovendien zo licht dat er gewone burgerwoningen ontstonden, waarin
vele niet-Milsbekers kwamen te wonen. En zo groeide Milsbeek uit
tot een dorp gelegen aan twee zijden van een steeds drukker
wordende rijksweg Nijmegen - Venlo tot een inwoneraantal op 1
januari 1968 van zo'n 1700 inwoners.
Het
verenigingsleven had zich inmiddels verder uitgebreid. Een
carnavalsvereniging, een hofkapel, een schutterij, een oudercomité,
een K.W.J., een gidsengroep, een jeugdraad en een
korfbalvereniging hadden acte de presence gegeven. Ook vond er
juist in die tijd de opening van het gemeenschapshuis plaats,
waarvoor in 1957 het eerste initiatief was genomen. Het
gemeenschapshuis kwam uiteindelijk terecht aan de andere zijde van
de kerk. Het was grond die eigendom was van de gemeente.
In
deze periode werd ook de beslissing genomen tot een nog grotere
groei van ons dorp. Burgemeester Berger had inmiddels in de
gemeente Ottersum het roer van de overleden burgemeester Janssen
overgenomen. Hij bracht de voor die tijd moderne ideeën inzake de
ruimtelijke ordening mee vanuit Gorichem waar hij voordien gewerkt
had. Milsbeek moest verder groeien om een nog beter
voorzieningsniveau op te kunnen bouwen voor de bevolking. Milsbeek
had de mogelijkheden daarvoor in zich. Het had goede bouwgrond en
het lag niet te ver van Nijmegen, met een goede openbaarvervoer
verbinding. Kortom het kon een forensendorp worden. De raad ging
met deze ideeën akkoord en de hele hoek gelegen tussen de
Kanonskamp, Oudebaan en Langstraat en ook een stuk van bet Heiveld
werd in korte tijd volgebouwd. Het inwonertal steeg tot 1978 met
ongeveer 100 inwoners per jaar.
Ook
werd er plaatselijk wat gedaan voor de werkgelegenheid. Aan de
zuidwestelijke zijde van de Rijksweg werd reeds in de
vijftigerjaren een sobere aanzet gegeven tot een
industrieterreintje door de vestiging van enkele
bloempottenbedrijfjes, later gevolgd door een betonfabriek en
enkele metaalbedrijfjes. Dit terrein werd uitgebreid in de
richting van het Achterbroek maar een grote bijdrage aan de
werkgelegenheid heeft dit bedrijventerrein lange tijd niet
opgeleverd. Heel langzaam geraakte het pas vol.
Van
veel grotere betekenis voor de plaatselijke werkgelegenheid was de
komst en de uitgroei van het mestfermenteerbedrijf van de C.N.C.
met in zijn kielzog het transportbedrijf Emons, aan "De Drie
Kronen". Al stond het bedrijf op een plaats waar het in deze
omvang eigenlijk nooit had mogen komen, het heeft wel in een enorm
stuk werkgelegenheid voorzien voor de vele kleine zelfstandige
agrariërs die door de gewijzigde bedrijfseconomische
omstandigheden hun eigen bedrijfje niet meer konden voortzetten.
|
|
Volgroeide
gemeenschap
Rond
1980 was Milsbeek een dorp met ca. 2750 inwoners. Het idee dat
zo'n inwoneraantal voldoende was voor een dorp om alle eigen
voorzieningen te hebben was toen al gedeeltelijk achterhaald. Niet
voor wat betreft het verenigingsleven. Milsbeek had een scala aan
verenigingen waaruit men kon kiezen. Wel echter wat betreft de
winkelvoorzieningen. De grote opkomst van de grootwinkelbedrijven
maakte het de Milsbeekse winkeliers ondanks de 2750 inwoners danig
lastig.
Enkele
schermutselingen tussen geboren Milsbekers en “import” waren
toen al geweest. De hinderwetprocedure voor het CNC-bedrijf en het
initiatief voor een nieuwe school bracht min of meer de autochtone
tegenover de nieuwe inwoners. Dat alles was in 1980, bij het
50-jarig bestaan van de parochie, alweer in rustiger vaarwater
gekomen. Men was tot de conclusie gekomen, dat iedereen samen
verder moest in onze gemeenschap.
De
grote groei was eind jaren ‘70 duidelijk terug gelopen. De
bestemmingsplannen geraakten vol en de provinciale overheid wilde
een verder gaande suburbanisatie (het ontstaan van grote plaatsen
buiten de stad) tegengaan. Milsbeek mocht nog slechts groeien voor
de opvang van de eigen bevolking. Op een gegeven moment konden
vele jonge mensen uit het dorp echter geen betaalbare koop- of
huurwoning verwerven in Milsbeek en werden daardoor gedwongen dorp
en parochie Milsbeek te verlaten.
|
|
Historische
herkomst van
namen
Op deze
pagina zijn van verschillende straten en gebieden de herkomst van
de naam te vinden. Hieronder staat een lijst met deze namen. Door
op de naam te klikken, komt u automatisch terecht bij de
tekstpassage die over de naamsherkomst gaat.
Bloemenstraat
De
dood (veld)
Den
Dam
Kanonskamp
Milsbeek
Ottersum
Ovenberg
Pastoor
Hoefnagelsstraat
Potkuilen
Schietberg
Schuttersplein
Sprokkelveld
De
herkomst of betekenis van alle Milsbeekse straatnamen is HIER
te vinden op de pagina Etymologie.
|