Publicaties (2)
Stukjes geschiedenis van Milsbeek

Op deze pagina staat een reeks publicaties in verband met het 75- jarig jubileum in 2005. Voor de liefhebber is HIER ook een stukje te vinden in het Aald Milsbeks, geschreven voor het 50-jarig jubileum in 1980.

In verband met het jubileum publiceerde Wim Bindels in 2005 met enige regelmaat stukjes in de lokale media (Maas en Niersbode). Deze stukjes over de geschiedenis van Milsbeek zijn hier terug te vinden. Om de pagina Publicaties niet te lang en traag te maken, zijn de eerste stukjes op deze pagina gezet. De links werken wel allemaal.

Geen dorp

Dorpsvorming

De naam Milsbeek

De onafhankelijkheidsstrijd

Ook een school

De plek voor kerk en school

De hand aan de schop

Wie zal dat betalen?

Het eerste kerkbestuur

De architectuur

De aannemers aan het werk

In Milsbeek naar school

De kerk van binnen

Een koster-organist gezocht

Feest in Milsbeek

De eerste sacramenten

Het Kerkhof

Het Patronaat

Hoog bezoek

Pastoor Hoefnagels

Oorlogsleed

Een bewaarschool in Milsbeek

Parochie en verenigingsleven

Milsbeek groeit en bloeit

Problemen in de parochie

Gérard van de Loo naar Milsbeek

Roepingen en missie vanuit Milsbeek

Een nieuw huis voor de gemeenschap

Loskoppeling kerk en school

Een groot Milsbeker

Pastoor Ben van Dijck

Een pastoorloos tijdperk (slot)

Reeks publicaties uit 2005 van Wim Bindels in het kader van Milsbeek 75 jaar:

Geen dorp

 

Wat was Milsbeek voordat het een parochie met een eigen school werd? Waar ging men voor die tijd naar de kerk en de school?

Milsbeek komt op de oude regionale kaarten van het gebied begin 1800  niet als dorp of buurtschap voor. Waar in noordelijk Noord-Limburg naast het stadje Gennep, plaatsen als Mook, Middelaar, Ottersum, Heijen, Afferden , Bergen en Well, en zelfs Heukelom en Aaijen, wel worden vermeld, ontbreekt Milsbeek. Een kasteel, of restanten daarvan, tref je dan ook niet aan op het grondgebied van het dorp. En ook geen kapel zoals in Heukelom en Aijen wel het geval is. Ooit moet er overigens wel een buurtkapel zijn geweest.  Die moet nabij de Smelenhof hebben gestaan. Bij de belegering van het Genneperhuis in 1622 moet deze zijn afgebroken om een vrij schootsveld te krijgen bij de belegering hiervan. De straatnamen Schietberg en Kanonskamp herinneren hier nog aan.

De bebouwing op het grondgebied van Milsbeek bestond uit een aantal boerderijen, keuterijtjes, cafés en arbeiderswoningen. In de 19e en het begin van de 20e eeuw was het merendeel van de bewoning aanwezig langs een aantal oude doorgaande  routes. Dit waren de Oude Baan, Bloemenstraat, Onderkant, Langstraat en de Zwarteweg.  Na de aanleg van de Rijksweg werd er vooral aan die belangrijke nieuwe doorgaande route gebouwd. Er verscheen ook  wat middenstand aan deze “drukke” weg.

De inwoners behoorden tot de parochie Ottersum en de meeste van hen gingen daar ook ter kerke en naar school. Een deel van hen, n.l. degenen die  aan de noordzijde van de Langstraat en de Bloemenstraat woonden, koos voor het ter kerke gaan in het dichterbij gelegen Middelaar. De afstand naar Ottersum, die door het merendeel van de inwoners te voet moest worden af gelegd, was voor een belangrijk deel van de inwoners een probleem.

Dorpsvorming

 

Voordat er een parochie werd gesticht, was er al sprake van dorpsvorming in het noordelijkste gehucht van de gemeente Ottersum. Vooral de komst van de steenfabriek in het begin van de vorige eeuw zorgde voor meerwerkgelegenheid. Meer kinderen van de kinderrijke gezinnen konden in het gebied blijven wonen. Er kwam daardoor meer draagvlak voor verenigingsleven. Dat vond vooral zijn basis in de cafés die in ruime mate aanwezig waren in het gebied.

De veelal kleine keuterboertjes hadden zich al heel vroeg georganiseerd. In 1927 wordt in de Maas en Niersbode al melding gemaakt van het 50 jarig bestaan van de onderlinge veeverzekering Milsbeek. Omstreeks 1910 moet er een toneelclub zijn op gericht die gerepeteerd moet  hebben in café Voss aan de Zwarteweg  Een lang leven was die niet beschoren. Het moet slechts tot het geven van enkele voorstellingen zijn gekomen.

Een andere aanzet was de oprichting van een fanfare in 1922. Deze repeteerde in het café van Hen Driessen aan de Rijksweg. Alle instrumenten  werden door een  “vermogend” lid aangeschaft.  Ook dit werd echter weer een aflopende zaak toen deze weldoener ze weer verkocht op het moment dat hij het geld beter kon gebruiken. De leden die zich voor dit initiatief voor de fanfare op de Zelderheide hadden afgemeld moesten weer met hangende pootjes terug.

Een aantal jaren later volgde een nieuw initiatief. Gerepeteerd werd er in café Jacobs aan de Rijksweg. Geleerd van het debacle werden de instrumenten nu, weliswaar met geleend geld,  door de club aangeschaft. Ook het toneelspel werd beoefend tijdens de uitvoeringen. Ondanks een moeilijke start ging het uiteindelijk toch crescendo met die fanfare.

Ook aan het voetbalfront waren er ontwikkelingen. Aan de ene kant van de Rijksweg werd MVV(Milsbeekse Voetbal Vereniging) opgericht en aan de andere kant BVV Bloemenstraatse Voetbal Vereniging. De eerstgenoemde moet ter ziele zijn gegaan toen de penningmeester met de kas op de Middelaarse kermis verzeild raakte. Het andere initiatief leidde uiteindelijk in 1928 via de naam RKVV Juliana en het naoorlogse RKSV Milsbeek tot het huidige  “SV Milsbeek”. Met vallen en opstaan groeide de gemeenschapszin.

De naam Milsbeek

 

Volgens de Gennepse historicus Wiel van Dinter in zijn boekje “de straatnamen van de gemeente Gennep verklaard en toegelicht”, dateert het eerste signaal dat wij kennen ten aanzien van de naam “Milsbeek” uit 1329.  Jan, heer van Gennep zegelt in dat jaar een oorkonde waarin hij een hoeve akkerland “geleghen in der Milsbeec-schen velde” in erfpacht geeft.

Een ander historicus uit onze streek,  wijlen Pastoor Driessen uit Middelaar, maakt in zijn “heemkundige aantekeningen” er melding van dat de  abdij van

’s Gravendaal  te Asperden of Nieuw Klooster (thans Duitsland) in 1389 een boerenhoeve bezat genaamd “supra Milsbeek”.

De naam “Milsbeek” is ontleend aan het beekje dat thans de Kroonbeek wordt genoemd. “Mils” betekent “grauw-bruin” water en beek “waterstroompje”. Het water was afkomstig uit het moerassig laagveengebied onder aan de heuvels van het Reichswald.

Een restant van de hoeve die bedoeld wordt, moet het boerderijtje zijn dat zich op de oever van de Kroonbeek bevindt, waar nu Jan Grutters woont. Milsbekers die begin vorige eeuw geboren waren, wisten nog dat dit in de eeuw daarvoor dit nog een grote boerderij moet zijn geweest van meer dan 50 ha. De naam den Beeksehof is uiteraard ook aan die beek ontleend.

Ook uit de oudste kadastrale kaart uit de eerste helft van 1800  wordt duidelijk dat de naam Milsbeek uit die hoek stamt. Hierop komt in het gebiedje de naam “Meilsbeek Hameau” voor. Hameau is de Franse benaming voor gehucht. Indertijd in de 19e eeuw stonden hier dicht bij het punt van samenkomst van de huidige Driekronenstraat en de Onderkant ook nog al wat boerderijtjes en woningen dicht bij elkaar. In dat gebiedje was toen veel meer bebouwing dan nu het geval is. 

Langzamerhand werden in het spraakgebruik niet alleen de bewoners van dit gebiedje als Milsbekers aangeduid maar alle inwoners van de gemeente Ottersum die aan de noordzijde van de huidige Kroonbeek woonden. Ze woonden overigens niet “in Milsbeek” maar “op de Milsbeek”.

 

De onafhankelijkheidstrijd

 

Met een eigen verenigingsleven, begon ook het verlangen naar een eigen kerk  “op de Milsbeek” te groeien. Vooral in Ottersum baarde dit grote zorg. Er waren plannen om een nieuwe kerk te bouwen en daar was ook de financiële hulp van de Milsbekers voor nodig. 

De toenmalige pastoor  zag zelfs de heroprichting van een fanfare in Milsbeek in 1924 al als een bedreiging voor zijn plannen. Voor hem was dit hetzelfde als “de duvel in huis halen”. Hij moet de burgemeester verteld hebben dat door de oprichters van de fanfare het voor de aankoop van de instrumenten benodigde geld van een weerloze inwoonster van Milsbeek was afgetroggeld. Nietsvermoedend werd een van de oprichters vervolgens bij de burgemeester ontboden. Hem werd te kennen gegeven dat het geleende bedrag van f 500,00 onmiddellijk moest worden terug betaald.

Zouden de muziekinstrumenten wederom verkocht moeten worden? Zou ook deze poging tot oprichting van een fanfare mislukken? Het Milsbeekse raadslid Fen Janssen hoorde er van en stak de helpende hand toe. Hij was voor de duvel niet bang en zeker niet voor de burgemeester. Fen leende de fanfare het benodigde geld. Zo kon  de andere lening worden terug betaald zonder dat de instrumenten verkocht behoefden te worden.

Vanuit Milsbeek werd er voor gepleit om de oude kerk in Ottersum gewoon te laten staan en een nieuwe kerk in Milsbeek te bouwen. Gradje Jacobs, een ander Milsbeeks raadslid uit die tijd, bedacht nog een compromis, n.l. om de nieuwe kerk in Aaldonk te bouwen. De Milsbekers zouden dan tenminste niet zover meer hoeven te lopen. De Ottersumse pastoor werd overspannen van al dat gedoe en trad in 1929 terug. Met een nieuwe pastoor werden de plannen voor de bouw van een nieuwe kerk door gezet Begin 1930 kreeg de parochie Ottersum toestemming om de grond tegenover de oude kerk te verwerven voor  de bouw van een nieuwe kerk.

In Milsbeek ging men niet bij de pakken neer zitten. Er werd actie gevoerd en  zelfs een kerk op een platte wagen getimmerd en als protest mee rond gereden. De deken van Gennep ging in gesprek met de opstandelingen en kwam naar Milsbeek voor overleg. Via de Maas- en Niersbode riep hij alle hoofden van gezinnen op om naar café Jacobs te komen om met hem “te overleggen over de hen bekende kwestie”. Het ging er fel aan toe. “Geij komt moj mit de tram mar weej motte altied lope” moeten de Milsbekers hem toe gebeten hebben.

Ook een school

 

De Milsbekers streden in het begin van de vorige eeuw niet alleen een strijd voor een eigen kerk. Zij streden die ook voor een eigen school voor hun kinderen. Die moesten elke dag te voet op klompen naar Ottersum lopen om onderwijs te volgen, in de winter vaak in barre kou.

Volgens de overlevering moet er,  voordat er sprake was van door de gemeente gefinancierd openbaar onderwijs, in de eeuw daarvoor in Milsbeek al een z.g. winkelschooltje zijn geweest. Dat soort onderwijs werd gegeven in particuliere woningen. In Milsbeek moet dat zijn geweest in de omgeving van het huidige kruispunt Rijksweg- Zwarteweg. Een zekere Jan Matroos moet de onderwijzer zijn geweest.

In 1908 ging de gemeente Ottersum een regeling aan met de gemeente Mook en Middelaar waardoor de kinderen uit Milsbeek ook in Middelaar naar school konden. Het bood maar beperkt soelaas. Alleen een aantal gezinnen aan de noordzijde van Milsbeek maakten er gebruik van.

In 1927 werd een verzoek ingediend voor een openbare school op de  Milsbeek. Dat verzoek werd ondertekend door “ongeveer 70 ouders”. De gemeenteraad had het er moeilijk mee.  Ook in Ven-Zelderheide leefde dezelfde wens. Inwilliging van het verzoek uit Milsbeek zou ongetwijfeld verderstrekkende gevolgen hebben. Men voorzag grote financiële consequenties en een “verslechtering van het onderwijs”. Op voorstel van wethouder Laemers, die op de Drie Kronen zo ongeveer op het snijvlak van Ottersum en Milsbeek woonde, werd in de vergadering van maart 1928 een besluit aangehouden. In de daaropvolgende vergadering in mei werd het verzoek alsnog met 6-1 afgewezen. Alleen het Milsbeekse raadslid Fen Janssen stemde voor.

De Lager Onderwijswet van 1920 had inmiddels de subsidie van o.a. katholiek bijzonder onderwijs mogelijk gemaakt. De meisjesschool, die bij de zusters in het Stepke was onder gebracht, was de eerste in Ottersum. Op initiatief van het Ottersumse kerkbestuur, werd de openbare jongensschool aan de St. Janstraat per 1 januari 1928 ook getransformeerd tot zo’n bijzondere school.

In Milsbeek zagen ze nu de oplossing.  Met een eigen kerk en kerkbestuur zou ook in Milsbeek zelf een school kunnen worden opgericht.

 

De plek voor kerk en school

 

Lang, voordat de kogel door de kerk was, was dit al onderwerp van discussie op de Milsbeek. Voor de Milsbekers was het belangrijk dat kerk en school een beetje midden in het bewoonde gebied kwam te liggen en aan een goede verharde weg. Delen van de Rijksweg en de Zwarteweg voldeden hieraan.

Maar er was nog iets wat belangrijk was. Na de mis op zondag werd er vaak in het cafe door de mannen ängestokt” en door de vrouwen “bodschappe”gedaan. Met de kerk en de school naast de deur zou een gouden toekomst gloren. De eigenaren van de cafe’s en winkeltjes roerden zich dan ook geducht. Twee er van, de families Jacobs (de mölder) en Janssen (De Rieke Jan), waren dan ook in het actiecomité vertegenwoordigd. Gradje Jacobs had een cafe bij zijn molen aan de Rijksweg. Neef Driekus Janssen een had boederij met cafe en winkel aan de Zwarteweg.

Een groot perceel gelegen achter de tramhalte aan de Rijksweg aan de overzijde van de molen en cafe van Gradje Jacobs leek hoge ogen te gooien. Driekus Janssen was echter de eigenaar. Zijn belangen lagen bij een kerk aan de Zwarteweg. Door Maas (Lamers), de buurvrouw van Driekus, gaf de eerste aanzet. Zij schonk voor de bouw van de kerk een perceeltje grond aan de Zwarteweg. Toevallig of niet, het was de vrouw die Driekus ooit het geld had geleend voor de aanschaf van instrumenten voor de oprichting van de fanfare dat op last van de burgemeester terug betaald moest worden. Het werd in dank door het comite aanvaard maar te klein. Voor f 2000 werd de er naast gelegen perceel van buurman Voss, die er een winkel had, bij gekocht

Maar toen uiteindelijk duidelijk werd dat er ook een school kon komen, was alles toch nog te klein. Toen er inmiddels een bouwpastoor met kerkbestuur was gevormd, werd aan de achterzijde 1 ½ ha grote zandheuvel met kreupelhout bij gekocht. Hier had Hannes Arts (net-as-ok) in een plaggehut gewoond. De vrijgezel was onder trieste omstandigheden om het leven gekomen.

Het perceel alleen al bood voldoende ruimte voor de bouw van de kerk met kerkhof, school, pastorie en een patronaat. Er was een probleem.  Het lag maar aan een karweggetje. Omwille van een goede bereikbaarheid werd er over de perceeltjes aan de Zwarteweg een fraaie toegangslaan bedacht. Het werd het Kerkelaantje genoemd. Later werd het omgedoopt tot Pastoor Hoefnagelstraat. De mooie toegang die zo ontstond zou later ook nog andere diensten bewijzen.

 

    

De hand aan de schop

 

Na de strijd voor een kerk en school en de verwerving van het terrein waarop deze gebouwd konden worden, moest de hand daadwerkelijk aan de schop. Dit was iets wat de Milsbekers door de jaren heen wel geleerd hadden. Op de eigen keuterijtjes, bij de grote boeren in de regio en op de steenfabriek in de Bloemenstraat waren ze wel wat gewend.

Er was, voordat er gebouwd kon worden, nog heel wat werk aan de winkel. Het met kreupelhout begroeide terrein was wel geschikt geweest voor de plaggehut van  de turfsteker “Net as ok”. Het was natuurlijk niet zonder bewerking geschikt voor de bouw van een school en een kerk voor Onze Lieve Heer. Voordat de eerste steen gelegd kon worden,  moest er nog heel wat gebeuren.

Er moest een heleboel kreupelhout gehakt en gerooid worden. Met bijlen werd de woestenij te lijf gegaan Vervolgens moesten de stobben er met de schop uit gehaald worden. Het was hard werken. Maar door het grondwerk zelf te doen konden de kosten van de bouw van de eigen kerk flink omlaag gebracht worden.

 Wat op de  Milsbeek “Den berg van Net as ok” werd genoemd,  werd uitverkoren als de plek waar de kerk moest komen. De verhoging in het terrein moest wel wat verlaagd worden. Er werd 2 meter afgegraven.

Bouwpastoor Hoefnagels verkocht publiekelijk de houtopbrengst als brandhout. Het overtollige zand werd grotendeels afgevoerd naar de dichtbij gelegen Snepse Siep. Dat was een restant van een strang van de Rijnarm die zich ooit vanaf het Ven langs de heuvelrug richting Plasmolen had geschuurd. Hij was gelegen achter boerderij en herberg  “De Snep”. Het watergat was behoorlijk diep want er moet nog ooit nog iemand in verdronken zijn. Vijfenzeventig jaar na dato bewijst de plek opnieuw een dienst aan de Milsbeekse gemeenschap. Hier worden n.l. de  starterswoningen gebouwd voor de jonge Milsbekers die ook een eigen bestaan op willen gaan bouwen. 

Van de opbrengst van het brandhout kocht Pastoor Hoefnagels sigaren. Die werden na een dag noeste arbeid aan de vrijwilligers uitgedeeld. Voor vele Milsbekers een ongekende luxe. Meer dan een “shaggie” waren ze niet gewend.

Bouwheer Hoefnagels paste ook al beloningsdifferentiatie toe. De Milsbekers die met bijl en schop kwamen kregen voor een volle dag werken één sigaar. Degenen die met kar en paard kwamen kregen er twee. Vele dagen werden vol gemaakt. Het moet de bouwpastoor meer dan duizend sigaren hebben gekost.

Wie zal dat betalen?

 

Werken en feestvieren dat konden de Milsbekers van begin vorige eeuw wel. Maar een kerk en een school betalen is wel even wat anders.

Met de school viel het allemaal wel mee. Dat werd na het raadsbesluit door de gemeente en het rijk geregeld. De ouders van de kinderen moesten schoolgeld betalen. Hoe minder je verdiende,  hoe minder je hoefde te betalen. De gemeenteraad van Ottersum had daar in de twintiger jaren keurige tabellen voor vastgesteld. De allerarmsten werd het zelfs helemaal kwijt gescholden. En of je nu naar Ottersum of in Milsbeek naar school kon gaan maakte geen enkel verschil. Dat viel dus allemaal wel mee.

Voor de kerk lag dat anders. De gelovigen moesten voor een belangrijk gedeelte zelf de kosten ophoesten. Het officiële standpunt van het kerkbestuur van Ottersum was dan ook steeds geweest dat de Milsbekers de lasten en het onderhoud van een kerk, een pastorie, een priester en een koster niet konden betalen. “Ga maar vast sparen” had de deken op die gedenkwaardige avond op 29 augustus 1929 in het café van Gradje Jacobs de Milsbeekse gezinshoofden  geadviseerd.

Het advies was niet aan dovemansoren gericht. Allerlei initiatieven kwamen er uit de kokers van de 146 gezinnen. Genoemd werd al de schenking van een inwoonster  van een perceel grond aan de Zwarteweg voor de bouw van de kerk. Er kwam ook een schapenplan. Er werden lammetjes op Texel gekocht. Ze konden door de inwoners worden geadopteerd om groot te brengen. De opbrengst moet nog al tegen zijn gevallen. De Milsbekers kregen daarmee de schaapjes voor een nieuwe kerk zeker niet op het droge.

Na de stichtingsakte en de benoeming van de bouwpastoor werd het allemaal wat serieuzer. Hij begon met een schuld van f 2000,-- voor de grond die aan de Zwarteweg was bijgekocht.

De Ottersumse moederkerk werd door het bisdom verplicht een duit in het zakje te doen voor een kerk van de dochter. Ze kreeg opgedragen een bedrag van f 8000,-- te storten. De eigendommen op de Milsbeek bleven echter in Ottersumse handen, zodat de pachtcentjes nog wel richting Ottersum bleven stromen. Ook de provincie en de gemeente schoven af, respectievelijk f 4.000,-- en  f 6.500.

Bouwpastoor Hoefnagels preekte in de Limburgse kerken en trok van parochie tot parochie, in totaal 40 stuks. Voor het goede doel moet hij de Milsbekers hebben afgeschilderd als een volkje van smokkelaars, stropers en halve heidenen waar de bouw van een kerk en het brengen van de christelijke boodschap heel hard nodig was.    

Het eerste kerkbestuur

 

Naast een bouwpastoor moest er in de nieuwe parochie natuurlijk ook een kerkbestuur komen. Hoe de voorbereiding en de samenstelling daarvan plaatsvond kon niet achterhaald worden. Wel zijn de  notulen van de eerste vergaderingen bewaard gebleven. Hieruit valt op te maken dat  Frans Kerkhoff, Piet van Benthum, Wim Hoenselaar en Hen ten Haaf  (den Helsen Hen)  het eerste kerkbestuur vormden. Frans Kerkhoff was de dorpssmid, de andere 3 waren Milsbeekse boeren. Wat daarbij opvalt is dat geen enkele van de leden van het actiecomité, de vrijheidstrijders van het eerste uur, hierin vertegenwoordigd was.

De eerste vergadering werd gehouden in december 1930 in de tijdelijke huisvesting van bouwpastoor Hoefnagels aan het adres Emmastraat 283 in Gennep. De tweede, op 6 januari 1931, in Milsbeek op het adres van secretaris Frans Kerkhoff. Wie er aanwezig waren wordt, net als bij de daaropvolgende bijeenkomsten, niet vermeld. Wel wordt er in de 3e vergadering in februari al een nieuw lid verwelkomd,  te weten Gerrit Koenen (Gerrit den Bok). Hij nam de plaats in van Hen ten Haaf. Alhoewel de zeer summiere notulen er op geen enkele wijze melding van maken, moet dit een gevolg zijn geweest van een eerste conflict. De pastoor moet in de eerste vergadering zo ongeveer gezegd hebben dat elke parochie wel een kerkbestuur moet hebben maar dat een pastoor eigenlijk de baas is. Den Helse Hen moet hels zijn geworden en gezegd hebben dat hij dan beter op zijn eigen akker aan het werk kon blijven.

Uit de notulen van januari blijkt ook dat er geprobeerd is de bouwkavel voor kerk en school nog uit te breiden met grond van Peters (Tinus van Nölleke) “wanneer de prijs redelijk is”. Blijkbaar was die niet redelijk want tot aankoop is het nooit gekomen.

In februari blijkt dat er wel werk voor de kerkmeesters is. Zij worden belast met het organiseren van de rondgang door het dorp “voor het onderhoud van den dienstdoenden pastoor”, te weten 25 cent per communicant en 25 cent per bebouwde bunder grond.

De kerkmeesters dragen het opgehaalde bedrag , zijnde 209,45 gulden, in de vergadering van 3 maart af. Als moderne bestuurders koppelden ze ook terug. De terugmelding is “dat over het algemeen allen hun bijdrage hadden gegeven maar tegen het bundergeld nogal bezwaar was gemaakt”.

Ook verder werd er modern bestuurd want er werd besloten op 8 maart voor de parochianen een voorlichtingsdag in café Jacobs te houden.

Een belangrijk besluit in de maartvergadering was verder architect Coumans uit Nijmegen op te dragen een tekening voor de kerk en school te laten maken.

De architectuur

Architect Jean Coumans kreeg dus de opdracht om een kerk met pastorie en school  “te tekenen”. Hij was een streek- en leeftijdgenoot van bouwpastoor Hoefnagels die hij kende uit zijn studietijd. Als hoofdopzichter van een groot architectenbureau uit Roermond, kwam hij bij de bouw van een kerk aan de Berg en Dalseweg in Nijmegen terecht. Hij bleef hier wonen en vestigde zich er in 1925 er als zelfstandig architect. De Milsbeekse kerk was de eerste kerk die hij zelf ontwierp. Hij deed dat voor zijn studievriend Louis Hoefnagels zonder honorarium. Later volgden nog de bouw van nieuwe kerken in Wanssum en Middelaar. Grondige verbouwingen realiseerde hij aan de kerken in Oostrum en de Molenpoort in Nijmegen, alsmede de torens van de kerken van Winssen en Ewijk.

Zijn opdracht in het Milsbeekse was het ontwerpen van een eenvoudig landelijk kerkje voor de onder financiële zorgen gebukte bouwpastoor. Naar buiten toe wist architect Coumans, ondanks de beperkte middelen, toch een stijlvolle kerk met een liefelijk uiterlijk te scheppen. Zelf is hij de Milsbeekse kerk altijd de mooiste blijven vinden. De 30 meter hoge ranke klokkentoren steekt fier uit boven het dorp en de omgeving. De kerk werd, zoals dat in die tijd gebruikelijk was, ontworpen in de vorm van een Latijns kruis. In tegenstelling tot veel andere kerken is ze met het altaar niet naar het oosten gericht. Het midden- en het dwarsschip worden in een fraai lijnenspel geflankeerd door lagere dakelementen. Aan de ene zijde is hierin het priesterkoor en aan de andere zijde het portaal met bid- en doopkapel ondergebracht.

In een harmonisch geheel, werd de pastorie ontworpen. Aan de andere zijde van de kerk ontwierp Coumans in harmonie met de vorm van de kerk nog een overdekte poort die toegang zou gaan geven tot het achter de kerk gesitueerde kerkhof. In het ontwerp waarvoor de bouwvergunning werd verleend pronkte op  het  middenschip ook nog een klein klokkentorentje voor een angelusklokje.

Jammer genoeg werden, vanwege noodzakelijke bezuinigingen, deze beide details nooit gerealiseerd. Ook ten aanzien van o.a. de ramenpartij en de dakconstructie werden ten opzichte van de verleende bouwvergunning blijkbaar nog bezuinigingen doorgevoerd.  De gemeente bezuinigde mee door geen legeskosten in rekening te brengen.

Zowel de kerk als de pastorie, en in iets mindere mate het wat later nog door Coumans ontworpen patronaat,  zijn in hun samenhang nog in de mooie oorspronkelijke staat te bewonderen. Doordat de grond op de hoek van Kerk- en Schoolstraat uiteindelijk niet werd aangekocht, werd de ingang van de school noodzakelijkerwijze aan de latere Schoolstraat geprojecteerd. Architectonisch was de samenhang er aanvankelijk nog wel degelijk, maar de bouw van café het Centrum en een schoenwinkel op die grond, alsmede door de uitbreidingen die de school onderging,  is die verloren gegaan.

 

De aannemers aan het werk

 

De bouwvergunning van de pastorie werd verleend op 13 mei 1931. De vergunningen voor de  kerk en de school op 3 juli van dat jaar. Driekus van Bart (Lemmen) nam de bouw van de pastorie aan voor een bedrag van f 7710,--. Hij had zich kort daarvoor als zelfstandig aannemer in Milsbeek gevestigd. De bouw van de school nam hij samen aan met zijn oudere broer Grad. Die had in Middelaar al langer een aannemingsbedrijf.  De bouw van de kerk was  “te hoog gegrepen”. Die werd gebouwd door aannemer Geraedts uit Blerick. Bedongen werd wel dat tenminste een vijftal Milsbekers in dienst moesten worden genomen. De kosten bedroegen f 38.000,--

In de notulen van het kerkbestuur valt geen letter te lezen over ontwerp, aanbesteding en uitvoering van de werkzaamheden van de bouw van pastorie, school en kerk. Blijkbaar rekende pastoor Hoefnagels het dus inderdaad alleen tot zijn verantwoordelijkheid. Het enige wat te lezen valt is dat hij op 25 november 1931 de kerkmeesters de gereedgekomen pastorie toont. Zij  “betuigen hun lof voor de degelijkheid en de goede inrichting”.

Democratisch of niet, pastoor Hoefnagels bleek een uitstekende bouwpastoor. Hij zorgde er voor dat de kosten binnen de perken bleven en de geldstroom ter bestrijding daarvan in beweging bleef. Ook “de eerste steenlegging” werd daar weer voor aan gegrepen.  “Gaat in grote getale op naar de Milsbeek op Zondag  16 augustus om 5 uur in de namiddag om uw medeleven hem te toonen .Verlicht zijn zorgen door een aalmoes groot of klein. Gaat uw steentje bijdragen”, luidde de smeekbede in de krant. Zij die niet konden gaan, werden opgeroepen geld te storten op de girorekening van pastoor Hoefnagels.

Met deken Kreijelmans metselde hij in tegenwoordigheid van “een onafzienbare rij jubelende parochianen, vrienden en belangstellenden op plechtige wijze den gedenksteen” (Rechts naast de grote toegangsdeur is deze te zien). Ook voor de aanwezigen had Hoefnagels wat bedacht. Zij konden symbolisch stenen kopen voor de bouw om zo hun steentje bij te dragen.    

De opening van de school vond al op 1 december plaats. Een foto in de Maas- en Niersbode toont dat een groot deel van het toen 800 inwoners tellende dorp op de speelplaats daar getuige van was. De school diende ook nog even als noodkerk. De wand tussen de lokalen 3 en 4 kon voor dat doel open geschoven worden. Lopen in de winterse kou naar Ottersum hoefde niet meer.

In het boekje “Ottersum en haar kerk “ staat te lezen “dat men in Ottersum niet meer wist wat hen over kwam toen de Milsbekers weg bleven. Het werd akelig stil op de zondagen. Men had altijd op ze neer gekeken maar toen ze niet meer kwamen was de gezelligheid verdwenen. Men miste ze nu toch wel”.

 

In Milsbeek naar school

Tijdens de bouw van de school, begonnen de voorbereidingen voor de inrichting en de personele bezetting. Voor de inrichting werden 3 offertes gevraagd. Uiteindelijk werden 72 schoolbanken besteld (voor 120 zitplaatsen). Inclusief de andere benodigdheden voor de meubilering en de schoonmaakartikelen bedroegen de kosten f 1958,--. Aan leermiddelen werd f 2004,-- besteed. Op 22 oktober ging de bestelling de deur uit.

Ook voor het poetswerk in de school werd er ingeschreven. De weduwe van Schaijk uit Milsbeek bleek de laagste te zijn. Voor f 90,--  was ze bereid de school 2 keer per week te poetsen, in de winter de kachel ’s morgens aan te maken en daarvoor ook nog het benodigde hout te leveren. Het was wel heel erg weinig vond ook het kerkbestuur. Het toonde haar sociale gezicht. Besloten werd namelijk dat, wanneer de financiële toestand van de school het toe zou laten, “de toelage”  verhoogd zou worden.

Er werd ook een advertentie geplaatst voor een hoofd van de school. Belangstelling was er genoeg. De kandidatenlijst voor “liefhebbers voor hoofd der school” die in juli aan het kerkbestuur werd voorgelegd was ongeveer 200 onderwijzers groot. W. Hendrickx uit Beesel werd benoemd. Hij mocht vervolgens mee beslissen bij de benoeming van de andere onderwijzers. Er werd  rekening mee gehouden dat er in Ottersum leerkrachten over waren. Benoemd werden Mèster “Bendels”, want zo worden de Bindelsen in Ottersum genoemd en “juf” Akkers. Beiden gaven al in Ottersum aan de Milsbeekse kinderen les. Als 4e werd benoemd de jonge juffrouw  Smeets uit Blerick. Hieraan was echter de conditie verbonden dat haar benoeming alleen door zou gaan als het aantal leerlingen een 4e onderwijskracht toe zou laten.

In de voor-oorlogse periode bepaalde dit viertal het onderwijs in Milsbeek. Meester Hendrickx kocht een perceel grond van de kerk op de hoek van de Zwarteweg en de Pastoor Hoefnagelstraat en bouwde hierop een door architect Coumans ontworpen woning. Hij werd niet alleen onderwijzer maar ook organist en zanger in het kerkkoor. Na de oorlog vertrok hij naar Nijmegen.

“Mester Bendels”, bouwde een woning aan de Rijksweg. Hij werd een echte Milsbeeker die zeer actief was voor de  Milsbeekse jeugd en de toneelverenging  ONA. Veel te vroeg, op 43-jarige leeftijd, stierf hij in 1944. “Juf” Akkers bleef daarentegen een echte Ottersumse , bleef daar ook  wonen en keerde na de oorlog uiteindelijk ook weer naar de Ottersumse school terug .

Juffrouw Smeets kwam in Milsbeek “in de kost”. Ze huwde later met meester Holleman , een Ottersumse onderwijzer die vele jonge Milsbeekse boeren landbouwonderwijs gaf. Kort voor de oorlog vertrokken ze naar Indië  (“de west”) . De eerste mutatie in het Milsbeekse onderwijs was een feit.

 

De kerk van binnen

 

De kerk biedt volgens de bouwvergunning plaats aan “360 grooten en 154 kinderen”. De binnenzijde en de inrichting werden, uiteraard omdat de uitgaven beperkt moesten blijven, heel sober gehouden. Ook hier valt op dat er duidelijke afwijkingen zijn ten opzichte van de tekeningen waarop de bouwvergunning is verleend. De grootste besparing werd gehaald door het middenschip te voorzien van op latten gestukadoorde gewelven (schijngewelven). Er werden alleen gemetselde gewelven aangebracht op de plaatsen die liturgisch het belangrijkst zijn, te weten het priesterkoor, de zijaltaren, de doopvond en het dwarsschip. Het dubbele gewelf van het dwarsschip werd overigens tot een enkel gereduceerd. Verder valt het op dat op de plattegrond de kindplaatsen helemaal rechts en links in het dwarsschip waren gesitueerd. Van het begin af aan kregen die echter een plaats vlak voor het priesterkoor en de communiebank.

Voor Maria van Altijddurende Bijstand, de patroonheilige, werd het zijaltaar aan de linkerzijde gesierd met een icoon van haar. In de tachtiger jaren werd die echter bij een inbraak gestolen. Alle wanden,  en ook de preekstoel,  bestonden bij de ingebruikname uit schoon metselwerk, eenvoudig maar fraai in zijn eenvoud. Een orgel was de parochie in de eerste 30 jaren nog niet rijk. De organisten moesten zich behelpen met een harmonium.

Er kwam voor de inrichting ook hulp van de moederkerk uit Ottersum. De “moeder” die zich zo vol toorn had gedragen toen de dochter het huis wilde verlaten, hielp mee met de inrichting. Er waren allerlei materialen over tengevolge van de bouw en inrichting van de nieuwe Ottersumse kerk. Enkele prachtige oude meubelstukken daaruit verhuisden naar Milsbeek. Zo kwam een oude bidstoel met het wapen van Mgr. Drehmanns,  bisschop van Roermond van 1900 tot 1913, richting Milsbeek.  Ook de uit 1884 daterende uit fraai houtsnijwerk bestaande communiebank, ging die richting. Een onderdeel daarvan, voorstellende de Emmaüsgangers,  wordt thans gebruikt als hoofdaltaar. Het resterende deel, bestaande uit engelen met banderollen en vier doorgebroken panelen met wijnranken, vormen nu nog de louter als sieraad dienstdoende  communiebank. De verlichting, en mogelijk ook de oude in 1953 vervangen kruisweg en een aantal oude kerkbanken, verhuisden eveneens naar Milsbeek.     

Rondom op consoles, stonden oorspronkelijk allemaal in stijl bij elkaar passende gipsen beelden. Alleen Jozef en de Heilige Antonius, beiden met het kindje Jezus aan hun hand, sieren nog de kerk.  De anderen , voorstellende het Heilig Hart, de Heilige Barbara, de Heilige Franciscus de Heilige Familie en het heilig Hart van Maria  hebben  helaas om onduidelijke redenen gedurende het 75 jarig bestaan van de parochie het  veld moeten ruim. De kerststal,  waarvan pas onlangs de herkomst en waarde door het speurwerk van Chris Janssen goed duidelijk werd, is gelukkig wel bewaard gebleven.

 

Een koster-organist gezocht

Elke parochie had een koster en een organist nodig. Ook Pastoor Hoefnagels moest er dus naar op zoek. Bij de invulling van de functie van hoofd van de school had het al een rol gespeeld. Schoolhoofd Hendrickx had toegezegd tijdelijk wel organist te willen worden. Hoefnagels ging vervolgens op zoek naar iemand die de dubbelfunctie van koster en organist in kon vullen.

Op de een of andere manier kende hij Thei Peters uit  ‘t Ven. Thei deed z.g. vooroefeningen in  ’t  leger en had verkering met Mrie Krebbers, telg uit een bekende Wellse zakenfamilie. De pastoor bood hen een perceel bouwgrond recht tegenover de kerk aan om een woning met winkel te bouwen. Thei moest dan wel bereid zijn om koster-organist te worden. Voor dit laatste moest hij overigens nog wel opgeleid worden. De kerk zou de kosten daarvan betalen. Alhoewel beide ouderlijke families “in zaken gaan op de Milsbeek” absoluut niet zagen zitten, wist Pastoor Hoefnagels Thei en Mrie te overtuigen om dit toch te doen.

Maar het noodlot sloeg al snel toe. Thei overleed in 1934 na een kortstondige ziekte onverwachts op 29-jarige leeftijd. Joep, een jongere broer van Mrie, werd vanuit Well naar Milsbeek gedirigeerd om zijn oudere zus te helpen. Mrie toonde zich bereid met hulp van haar broer het kosterschap op zich te nemen. 17 jaar lang vervulde zij vervolgens als vrijwilligster het kosterschap. In Milsbeek werd zij daarom algemeen Mrie de Köster genoemd. Vanwege zijn hulp aan zijn zus verwierf ook broer Joep de bijnaam “Joep de Köster”.

Mrie en Joep waren zoals gezegd telgen uit een bekende Wellse zakenfamilie. Ondanks de aanvankelijke scepsis werden zij geslaagde zakenmensen in Milsbeek. Mrie bouwde na het overlijden van haar man Thei de winkel verder uit. Voor het regelen van allerlei kerkelijke zaken moest men indertijd naar de koster. Mrie zorgde er voor dat alles wat daarvoor nodig was bij haar te koop was. Op die wijze had zij toch indirect haar voordelen aan het kosterschap.

Nadat buurman bakker Vic Geene  was gestopt, begonnen Mrie en Joep ook brood te verkopen. Aanvankelijk werd dit aangevoerd uit Well en vervolgens zelf gebakken. Joep trouwde later ook bij zijn zus in.  Na de oorlog bouwde hij  tegenover het patronaat een eigen bakkerij met winkel. Vele jaren vormden Mrie en Joep een belangrijk element in het Milsbeekse “winkelcentrum”.

Ook voor het hoofd van de school liepen de zaken hiermee anders dan verwacht. Een paar jaar als organist spelen in de kerk,  werden er uiteindelijk bijna 14. In 1946 vertrok hij uit Milsbeek naar Nijmegen. De geboren en getogen Milsbekenaar Ties Hubbers, die inmiddels tegenover hem ook een bouwperceel van de kerk had gekocht en er een kapperszaak uitoefende, volgde buurman Hendrickx  op als organist-voorzanger.

Feest in Milsbeek

Onder grote belangstelling van de inwoners vond op 30 januari 1932 de plechtige inzegening van de kerk plaats. Om cira half 10 begonnen de plechtigheden. Pastoor Hoefnagels verrichtte die voor de samengestroomde parochianen. Ze zagen hun lang gekoesterde wens in vervulling gaan. De pastoor droeg de H. Mis van Mitterer op met behulp van een koor onder leiding van schoolhoofd Wim Hendrickx. De plechtigheden van de inzegening waren daarmee ten einde.

De zondag daarna was het een echte feestdag. Die dag werd Pastoor Hoefnagels officieel geïnstalleerd. De Maas- en Niersbode: “Milsbeek had een feestelijk aanzien door de erebogen, vlaggetjes en versieringen die waren aangebracht. Toen het aanvangsuur naderde kon men de massa, die van heinde en verre, maar ook van de plaats zelve, was samen gestroomd, niet overzien en was er op de Rijksweg geen doorkomen aan”. Tegen half 3 trok men naar huize De Drie Kronen. Toen de auto, waarin Pastoor Hoefnagels gezeten was,  arriveerde, werd hem door een herdertje de herdersstaf aangeboden.

Pastoor Hoefnagels was ontroerd. Hij hield vervolgens een toespraak waarin hij de Milsbekers  voor hetgeen zij gedaan hadden roemde en zei o.a. “Ik zag deze week de bedrijvigheid , maar nu ik hier al die grootse versieringen zie aangebracht en dat alles voor mij, dan voel ik mij gelukkig te midden mijner parochianen. Ik zou niet gaarne meer van hier gaan en mijn innigste wens is dan ook, om temidden waar liefde is, te mogen werken als herder der parochie”.

Onder begeleiding van fanfare Crescendo zette de machtige stoet zich in beweging naar de nieuwe kerk. Voorop reden een groot aantal ruiters, gevolgd door versierde fietsen, RKVV “Juliana”, schoolgaande kinderen, fanfare Crescendo, bruidjes, pastoor Hoefnagels met kerkbestuur, geestelijken en genodigden. Bij de hoofdingang van de kerk werd de pastoor door Deken Kreijelmans ontvangen waarna hem de sleutels der kerk werden aangeboden door een bruidje.

In het plechtige lof dat volgde hield eerst deken Kreijelmans een predikatie. Hij roemde Pastoor Hoefnagels die nog maar 14 maanden eerder de opdracht had gekregen hier een kerk te bouwen. En wat zien we nu sprak hij:  Een kerkje, een rank torentje, enkele nieuwe gebouwen !!…. De vruchten van noeste, opofferende arbeid. Ze staan daar rondom ’s Heerenwoning gelijk een kudde schapen die zich om hun herder scharen.

Aan het einde van de plechtigheid hield Pastoor Hoefnagels zijn predikatie. Hij zei dat hij de herder voor zijn (Milsbeekse) kudde wilde zijn, Een herder die “zijn  menschenkudde wil weiden, en ze aan het eind des levens in den eeuwigen schaapstal wil binnen voeren”.

De Maas- en Niersbode sluit haar artikel met: Milsbeek heeft getoond dat zij een eigen parochie niet kan missen”

 

De eerste sacramenten

 

Sjaak Jacobs trouwde enkele dagen na de inzegening op 2 februari 1932 als eerste in de nieuwe parochiekerk. Hij was een zoon van Gradje de Mölder, een van de grote strijders voor een eigen parochie. Een volbloed Milsbeeks huwelijk, want Sjaak trouwde met Truus Janssen, dochter van “Jan den Ulling”. Het eerste huwelijk werd een vruchtbaar huwelijk. Maar liefst 14 kinderen werden in de loop van de tijd aan de nieuwe parochie toegevoegd. Alleen Wim en Tonia Cobussen wisten later deze prestatie nog te overtreffen. Hier werden 15 kinderen geboren, maar een van hun dochtertjes stierf kort na de geboorte,  zodat in beide gezinnen 11 jongens en 3 meisjes werden groot gebracht.

Veel van de parochieregisters zijn verloren gegaan. Het doopregister heeft de oorlog echter overleefd. Daaruit blijkt dat in 1932 maar liefst 17 personen werden gedoopt, 10 jongens en  7 meisjes. Op dit moment zijn er nog 10 in leven. Acht daarvan daarvan zijn Milsbeek als woonplaats trouw gebleven.

Jan Franken was de eerste die in de nieuwe parochiekerk werd gedoopt. Dat was op 8 februari 1932. De plechtigheid vond plaats in de onlangs weer in ere herstelde doopvont. Alle kinderen van de lagere school mochten gaan kijken. Jan werd nog vaker de eerste.  Zo werd hij de eerste Prins van de carnavalsvereniging en de eerste chauffeur als knecht van Transportbedrijf Emons. De eerstgedoopte zou een echte gemeenschapsman  worden. Ruim 20 jaar was hij vorst van de carnavalsvereniging, commandant van de brandweer en voorzitter van Milsbeek Vooruit. Vanaf de oprichting in 1963 is hij verder lid van het Missiecomité, van 1968 af bestuurslid van de Stichting gemeenschapshuis en17 jaar lang lid van de gemeenteraad.

Sacramentsdag was vroeger een hoge feestdag.  Uitgebreid werd de  wenselijkheid van het houden van een sacramentsprocessie in 1932 in het kerkbestuur besproken. Er werd besloten die te houden op de zondag na het feest van het Heilig Sacrament. Vanuit de kerk zou men langs de pastorie naar Van Schaijk (hoek Rijksweg/Zwarteweg) trekken. Hier zou een rustaltaar worden opgericht. Van daar uit ging het helemaal over de Zwarteweg naar Arts (hoek Zwarteweg/Ringbaan) waar een 2e rustaltaar zou komen. Langs dezelfde weg ging de tocht terug naar de nieuwe kerkweg (nu Pastoor Hoefnagelstraat)  alwaar een 3e en laatste altaartje zou komen.

De route zou nadien herhaaldelijk gewijzigd worden maar tot eind zestiger jaren  zou de sacramentsprocessie met muziek en zang biddend door ons dorp trekken. De aanwonenden versierden naast en op de weg de route met vlaggetjes en bloemen. Ze richtten ook de rustaltaartjes in. Onder de troonhemel toonde de pastoor de monstrans  met de hostie. Bruidjes strooiden de geplukte wilde bloemetjes en een groot deel van de inwoners liep,  al dan niet in devotie biddend, mee.

 

Het kerkhof

 

De Milsbekers werden, voordat er een eigen parochie was, uiteraard ook in Ottersum begraven. De laatste reis van vele Milsbekers liep toen via de Lijkweg, een weg die vroeger een verbinding vormde tussen de Horsestraat en de Goorseweg . Het monumentale familiegraf  van de familie Linke vooraan op het Ottersumse kerkhof heeft nog een Milsbeeks tintje.  Deze familie was in het begin van de vorige eeuw n.l. woonachtig in villa Holly Lodge bij de “Drie Kronen”.

De nieuwe parochie Milsbeek ging haar overledenen uiteraard in Milsbeekse aarde begraven. De eerste begravingen vonden plaats direct achter de kerk. Lenie van Bergen, het vroeg overleden jongste dochtertje van Frans van Bergen van de Zwarteweg,  moet de eerste zijn geweest.

In die eerste jaren moet de wildernis achter de kerk nog maar voor een klein gedeelte gefatsoeneerd zijn geweest. Toen Thei Laemers van de “Drie Kronen” in de eerste dagen van de parochie Milsbeek zijn einde voelde naderen, moet hij de familie gevraagd hebben hem niet in Milsbeek te begraven omdat hij niet zo eenzaam wilde liggen. Zijn verzoek werd door de familie en de geestelijke overheid ingewilligd.

In 1936 wordt besloten tot een verfraaiing. Het struikgewas wordt gerooid en achteraan een lijkenhuisje gebouwd. Dat werd voornamelijk gebruikt voor het opbergen van de baar en het gereedschap. Een enkele keer, wanneer een lijk in een zodanige staat verkeerde dat het niet in huis kon staan, is het ook als zodanig gebruikt. Voor het overige werd de overledene vroeger tot de begrafenis thuis opgebaard en werd er door de buurt gewaakt.

Het lijkenhuisje werd met zand bedekt en afgewerkt tot een  calvarieberg waarop een kunstwerk met Jezus aan het kruis  werd geplaatst. Onder aan de voet werd een kinderkerkhofje aangelegd. Na de oorlog werd het kerkhof uitgebreid via de aankoop van een perceeltje grond van Kobus van Nölleke (Peters).

Grad van Sis (Derks) van de Rijksweg was vroeger vele jaren de grafdelver en Jan ten Haaf van de Kerkstraat maakte de kisten. Vele graven zijn er in de loop van de tijd geruimd. Voor zover bekend is het graf van de in 1934 overleden Thei de Köster (Peters) het oudste nog aanwezige graf. Er liggen op dit moment 677,  9 zijn er gereserveerd en 67 vrij. 

Het kerkhof biedt aan vele nabestaanden vertroosting. Er ligt bovendien een stuk geschiedenis van ons dorp opgeslagen. Dwalend over het kerkhof kun je herinneringen ophalen over dorpsgenoten waarmee je een fijne tijd hebt mogen beleven in ons dorp.

 

Het Patronaat

 

Nadat de kerk en de school gereed en in gebruik waren, stelde Pastoor Hoefnagels in oktober 1932 het kerkbestuur voor om een patronaat te bouwen. De kosten werden begroot op f 2600,--. De pastoor gaf aan dat hij die kon betalen uit binnen gekomen (anonieme) giften. Hij stelde voor het in eigen beheer te bouwen. Op die wijze zou men aan een maximaal aantal inwoners werk kunnen verschaffen want de crisistijd liet zich al voelen. De kerkmeesters gingen akkoord en een aantal Milsbekers kon zo ook weer een boterham voor zijn gezin verdienen.

In februari ging de bouwlustige Pastoor nog verder. Hij kwam met een plan om een woonhuis aan het patronaat te bouwen. De bedoeling was om op die wijze een kamer te krijgen voor een op te richten KWJ en om toezicht op het patronaat te hebben. Het werd door de kerkmeesters  “in principe goed gevonden”. In latere vergaderingen wordt er nooit meer een woord aan gewijd. Tot realisering is het in ieder geval nooit gekomen.

In het patronaat kwam het jeugdwerk via de Jonge Wacht tot bloei. Het moeten vooral pastoor Hoefnagels zelf en meester Bindels zijn geweest die veel in touw waren voor de Milsbeekse jeugd. Uit de Jonge Wacht kwam de huidige toneelvereniging ONA voort. Het patronaat met zijn podium was voor hen een prima accommodatie om te oefenen en uitvoeringen te geven.

In 1938 kwam het houden van het Caeciliafeest in het patronaat aan de orde. Tot dan werd dat in café Jacobs gehouden. Jacobs zou door zijn actie voor de kleine boeren de parochie echter tegen werken. Bovendien zou er een neutrale  krant (Nieuws van de Dag) in de café ter lezing liggen. Besloten werd daarom “voor het Caeciliafeest aan hem voorbij te gaan en dit te houden in het patronaat”.

Het patronaat verleende door de jaren heen voor kerk en school allerlei diensten. Het deed  ook wel eens dienst als tijdelijk schoollokaal. In 1943 waren er plannen voor de uitbreiding van de school naar 6 klassen. Coumans maakte het plan om via de verbouwing van het kolenhok en de overdekte speelplaats er 2 klassen bij te maken. Dat laatste  kreeg echter geen instemming. Besloten werd het patronaat als 6e lokaal te gebruiken.

Na de oorlog, waarin de kerk een behoorlijke oorlogschade had opgelopen, deed het zelfs nog een tijdje dienst als noodkerk. Ook de fanfare die aanvankelijk in café Jacobs en later café de Zwarteweg resideerde, kreeg er het clubhuis.

In 1968 kwam er via het gemeenschapshuis een moderne variant op het patronaat tot stand die veel van de functies overnam. De fanfare en de tamboers bleven het patronaat trouw. Zij delen het gebruik al vele jaren met Willie Hoesen.

 

Op de pagina Publicaties staan de vervolgstukjes.