| |
| Publicaties
(2) |
| Stukjes
geschiedenis van Milsbeek |
|









|
Op deze pagina
staat een reeks publicaties in verband met het 75- jarig jubileum
in 2005. Voor
de liefhebber is HIER
ook een stukje te vinden in het Aald Milsbeks, geschreven voor het
50-jarig jubileum in 1980.
In
verband met het jubileum
publiceerde Wim Bindels
in 2005 met
enige regelmaat stukjes in de lokale media (Maas en Niersbode). Deze stukjes over de
geschiedenis van Milsbeek zijn hier terug te vinden. Om de pagina Publicaties
niet te lang en traag te maken, zijn de eerste stukjes op deze
pagina gezet. De links werken wel allemaal. Geen
dorp Dorpsvorming De
naam Milsbeek
De
onafhankelijkheidsstrijd
Ook
een school
De
plek voor kerk en school
De
hand aan de schop
Wie
zal dat betalen?
Het
eerste kerkbestuur
De
architectuur
De
aannemers aan het werk
|
|
|
In
Milsbeek naar school
De
kerk van binnen
Een
koster-organist gezocht
Feest
in Milsbeek
De
eerste sacramenten
Het
Kerkhof
Het
Patronaat
Hoog
bezoek
Pastoor
Hoefnagels
Oorlogsleed
Een
bewaarschool in Milsbeek
Parochie
en verenigingsleven
Milsbeek
groeit en bloeit
Problemen
in de parochie
Gérard
van de Loo naar Milsbeek
Roepingen
en missie vanuit Milsbeek
Een
nieuw huis voor de gemeenschap
Loskoppeling
kerk en school
Een
groot Milsbeker
Pastoor
Ben van Dijck
Een
pastoorloos tijdperk (slot)
|
|
Reeks publicaties
uit 2005 van Wim Bindels in het kader van Milsbeek 75 jaar:
|
|
Wat
was Milsbeek voordat het een parochie met een eigen school werd?
Waar ging men voor die tijd naar de kerk en de school?
Milsbeek
komt op de oude regionale kaarten van het gebied begin 1800
niet als dorp of buurtschap voor. Waar in noordelijk
Noord-Limburg naast het stadje Gennep, plaatsen als Mook,
Middelaar, Ottersum, Heijen, Afferden , Bergen en Well, en zelfs
Heukelom en Aaijen, wel worden vermeld, ontbreekt Milsbeek. Een
kasteel, of restanten daarvan, tref je dan ook niet aan op het
grondgebied van het dorp. En ook geen kapel zoals in Heukelom en
Aijen wel het geval is. Ooit moet er overigens wel een buurtkapel
zijn geweest. Die
moet nabij de Smelenhof hebben gestaan. Bij de belegering van het
Genneperhuis in 1622 moet deze zijn afgebroken om een vrij
schootsveld te krijgen bij de belegering hiervan. De straatnamen
Schietberg en Kanonskamp herinneren hier nog aan.
De
bebouwing op het grondgebied van Milsbeek bestond uit een aantal
boerderijen, keuterijtjes, cafés en arbeiderswoningen. In de 19e
en het begin van de 20e eeuw was het merendeel van de
bewoning aanwezig langs een aantal oude doorgaande
routes. Dit waren de Oude Baan, Bloemenstraat, Onderkant,
Langstraat en de Zwarteweg. Na
de aanleg van de Rijksweg werd er vooral aan die belangrijke
nieuwe doorgaande route gebouwd. Er verscheen ook
wat middenstand aan deze “drukke” weg.
De
inwoners behoorden tot de parochie Ottersum en de meeste van hen
gingen daar ook ter kerke en naar school. Een deel van hen, n.l.
degenen die aan de
noordzijde van de Langstraat en de Bloemenstraat woonden, koos
voor het ter kerke gaan in het dichterbij gelegen Middelaar. De
afstand naar Ottersum, die door het merendeel van de inwoners te
voet moest worden af gelegd, was voor een belangrijk deel van de
inwoners een probleem.

|
|
Voordat
er een parochie werd gesticht, was er al sprake van dorpsvorming
in het noordelijkste gehucht van de gemeente Ottersum. Vooral de
komst van de steenfabriek in het begin van de vorige eeuw zorgde
voor meerwerkgelegenheid. Meer kinderen van de kinderrijke
gezinnen konden in het gebied blijven wonen. Er kwam daardoor meer
draagvlak voor verenigingsleven. Dat vond vooral zijn basis in de
cafés die in ruime mate aanwezig waren in het gebied.
De
veelal kleine keuterboertjes hadden zich al heel vroeg
georganiseerd. In 1927 wordt in de Maas en Niersbode al melding
gemaakt van het 50 jarig bestaan van de onderlinge veeverzekering
Milsbeek. Omstreeks 1910 moet er een toneelclub zijn op gericht
die gerepeteerd moet hebben in café Voss aan de Zwarteweg Een lang leven was die niet beschoren. Het moet slechts tot
het geven van enkele voorstellingen zijn gekomen.
Een
andere aanzet was de oprichting van een fanfare in 1922. Deze
repeteerde in het café van Hen Driessen aan de Rijksweg. Alle
instrumenten werden
door een “vermogend” lid aangeschaft.
Ook dit werd echter weer een aflopende zaak toen deze
weldoener ze weer verkocht op het moment dat hij het geld beter
kon gebruiken. De leden die zich voor dit initiatief voor de
fanfare op de Zelderheide hadden afgemeld moesten weer met
hangende pootjes terug.
Een
aantal jaren later volgde een nieuw initiatief. Gerepeteerd werd
er in café Jacobs aan de Rijksweg. Geleerd van het debacle werden
de instrumenten nu, weliswaar met geleend geld,
door de club aangeschaft. Ook het toneelspel werd beoefend
tijdens de uitvoeringen. Ondanks een moeilijke start ging het
uiteindelijk toch crescendo met die fanfare.
Ook
aan het voetbalfront waren er ontwikkelingen. Aan de ene kant van
de Rijksweg werd MVV(Milsbeekse Voetbal Vereniging) opgericht en
aan de andere kant BVV Bloemenstraatse Voetbal Vereniging. De
eerstgenoemde moet ter ziele zijn gegaan toen de penningmeester
met de kas op de Middelaarse kermis verzeild raakte. Het andere
initiatief leidde uiteindelijk in 1928 via de naam RKVV Juliana en
het naoorlogse RKSV Milsbeek tot het huidige
“SV Milsbeek”. Met vallen en opstaan groeide de
gemeenschapszin.

|
|
De
naam Milsbeek
Volgens
de Gennepse historicus Wiel van Dinter in zijn boekje “de
straatnamen van de gemeente Gennep verklaard en toegelicht”,
dateert het eerste signaal dat wij kennen ten aanzien van de naam
“Milsbeek” uit 1329. Jan, heer van Gennep zegelt in dat jaar een oorkonde waarin
hij een hoeve akkerland “geleghen in der Milsbeec-schen velde”
in erfpacht geeft.
Een
ander historicus uit onze streek,
wijlen Pastoor Driessen uit Middelaar, maakt in zijn
“heemkundige aantekeningen” er melding van dat de
abdij van
’s
Gravendaal te
Asperden of Nieuw Klooster (thans Duitsland) in 1389 een
boerenhoeve bezat genaamd “supra Milsbeek”.
De
naam “Milsbeek” is ontleend aan het beekje dat thans de
Kroonbeek wordt genoemd. “Mils” betekent “grauw-bruin”
water en beek “waterstroompje”. Het water was afkomstig uit
het moerassig laagveengebied onder aan de heuvels van het
Reichswald.
Een
restant van de hoeve die bedoeld wordt, moet het boerderijtje zijn
dat zich op de oever van de Kroonbeek bevindt, waar nu Jan
Grutters woont. Milsbekers die begin vorige eeuw geboren waren,
wisten nog dat dit in de eeuw daarvoor dit nog een grote boerderij
moet zijn geweest van meer dan 50 ha. De naam den Beeksehof is
uiteraard ook aan die beek ontleend.
Ook
uit de oudste kadastrale kaart uit de eerste helft van 1800
wordt duidelijk dat de naam Milsbeek uit die hoek stamt.
Hierop komt in het gebiedje de naam “Meilsbeek Hameau” voor. Hameau is de Franse benaming voor gehucht. Indertijd in de 19e
eeuw stonden hier dicht bij het punt van samenkomst van de huidige
Driekronenstraat en de Onderkant ook nog al wat boerderijtjes en
woningen dicht bij elkaar. In dat gebiedje was toen veel meer
bebouwing dan nu het geval is.
Langzamerhand
werden in het spraakgebruik niet alleen de bewoners van dit
gebiedje als Milsbekers aangeduid maar alle inwoners van de
gemeente Ottersum die aan de noordzijde van de huidige Kroonbeek
woonden. Ze woonden overigens niet “in Milsbeek” maar “op de
Milsbeek”.
|
|
De
onafhankelijkheidstrijd
Met
een eigen verenigingsleven, begon ook het verlangen naar een eigen
kerk
“op de Milsbeek” te groeien. Vooral in Ottersum baarde
dit grote zorg. Er waren plannen om een nieuwe kerk te bouwen en
daar was ook de financiële hulp van de Milsbekers voor nodig.
De
toenmalige pastoor
zag zelfs de heroprichting van een fanfare in Milsbeek in
1924 al als een bedreiging voor zijn plannen. Voor hem was dit
hetzelfde als “de duvel in huis halen”. Hij moet de
burgemeester verteld hebben dat door de oprichters van de fanfare
het voor de aankoop van de instrumenten benodigde geld van een
weerloze inwoonster van Milsbeek was afgetroggeld. Nietsvermoedend
werd een van de oprichters vervolgens bij de burgemeester
ontboden. Hem werd te kennen gegeven dat het geleende bedrag van f
500,00 onmiddellijk moest worden terug betaald.
Zouden
de muziekinstrumenten wederom verkocht moeten worden? Zou ook deze
poging tot oprichting van een fanfare mislukken? Het Milsbeekse
raadslid Fen Janssen hoorde er van en stak de helpende hand toe.
Hij was voor de duvel niet bang en zeker niet voor de
burgemeester. Fen leende de fanfare het benodigde geld. Zo kon
de andere lening worden terug betaald zonder dat de
instrumenten verkocht behoefden te worden.
Vanuit
Milsbeek werd er voor gepleit om de oude kerk in Ottersum gewoon
te laten staan en een nieuwe kerk in Milsbeek te bouwen. Gradje
Jacobs, een ander Milsbeeks raadslid uit die tijd, bedacht nog een
compromis, n.l. om de nieuwe kerk in Aaldonk te bouwen. De
Milsbekers zouden dan tenminste niet zover meer hoeven te lopen.
De Ottersumse pastoor werd overspannen van al dat gedoe en trad in
1929 terug. Met een nieuwe pastoor werden de plannen voor de bouw
van een nieuwe kerk door gezet Begin 1930 kreeg de parochie
Ottersum toestemming om de grond tegenover de oude kerk te
verwerven voor
de bouw van een nieuwe kerk.
In
Milsbeek ging men niet bij de pakken neer zitten. Er werd actie
gevoerd en
zelfs een kerk op een platte wagen getimmerd en als protest
mee rond gereden. De deken van Gennep ging in gesprek met de
opstandelingen en kwam naar Milsbeek voor overleg. Via de Maas- en
Niersbode riep hij alle hoofden van gezinnen op om naar café
Jacobs te komen om met hem “te overleggen over de hen bekende
kwestie”. Het ging er fel aan toe. “Geij komt moj mit de tram
mar weej motte altied lope” moeten de Milsbekers hem toe gebeten
hebben.

|
|
Ook
een school
De
Milsbekers streden in het begin van de vorige eeuw niet alleen een
strijd voor een eigen kerk. Zij streden die ook voor een eigen
school voor hun kinderen. Die moesten elke dag te voet op klompen
naar Ottersum lopen om onderwijs te volgen, in de winter vaak in
barre kou.
Volgens
de overlevering moet er,
voordat er sprake was van door de gemeente gefinancierd
openbaar onderwijs, in de eeuw daarvoor in Milsbeek al een z.g.
winkelschooltje zijn geweest. Dat soort onderwijs werd gegeven in
particuliere woningen. In Milsbeek moet dat zijn geweest in de
omgeving van het huidige kruispunt Rijksweg- Zwarteweg. Een zekere
Jan Matroos moet de onderwijzer zijn geweest.
In
1908 ging de gemeente Ottersum een regeling aan met de gemeente
Mook en Middelaar waardoor de kinderen uit Milsbeek ook in
Middelaar naar school konden. Het bood maar beperkt soelaas.
Alleen een aantal gezinnen aan de noordzijde van Milsbeek maakten
er gebruik van.
In
1927 werd een verzoek ingediend voor een openbare school op de
Milsbeek. Dat verzoek werd ondertekend door “ongeveer 70
ouders”. De gemeenteraad had het er moeilijk mee.
Ook in Ven-Zelderheide leefde dezelfde wens. Inwilliging
van het verzoek uit Milsbeek zou ongetwijfeld verderstrekkende
gevolgen hebben. Men voorzag grote financiële consequenties en
een “verslechtering van het onderwijs”. Op voorstel van
wethouder Laemers, die op de Drie Kronen zo ongeveer op het
snijvlak van Ottersum en Milsbeek woonde, werd in de vergadering
van maart 1928 een besluit aangehouden. In de daaropvolgende
vergadering in mei werd het verzoek alsnog met 6-1 afgewezen.
Alleen het Milsbeekse raadslid Fen Janssen stemde voor.
De
Lager Onderwijswet van 1920 had inmiddels de subsidie van o.a.
katholiek bijzonder onderwijs mogelijk gemaakt. De meisjesschool,
die bij de zusters in het Stepke was onder gebracht, was de eerste
in Ottersum. Op initiatief van het Ottersumse kerkbestuur, werd de
openbare jongensschool aan de St. Janstraat per 1 januari 1928 ook
getransformeerd tot zo’n bijzondere school.
In
Milsbeek zagen ze nu de oplossing.
Met een eigen kerk en kerkbestuur zou ook in Milsbeek zelf
een school kunnen worden opgericht.
|
|
De
plek voor kerk en school
Lang,
voordat de kogel door de kerk was, was dit al onderwerp van
discussie op de Milsbeek. Voor de Milsbekers was het belangrijk
dat kerk en school een beetje midden in het bewoonde gebied kwam
te liggen en aan een goede verharde weg. Delen van de Rijksweg en
de Zwarteweg voldeden hieraan.
Maar
er was nog iets wat belangrijk was. Na de mis op zondag werd er
vaak in het cafe door de mannen ängestokt” en door de vrouwen
“bodschappe”gedaan. Met de kerk en de school naast de deur zou
een gouden toekomst gloren. De eigenaren van de cafe’s en
winkeltjes roerden zich dan ook geducht. Twee er van, de families
Jacobs (de mölder) en Janssen (De Rieke Jan), waren dan ook in
het actiecomité vertegenwoordigd. Gradje Jacobs had een cafe bij
zijn molen aan de Rijksweg. Neef Driekus Janssen een had boederij
met cafe en winkel aan de Zwarteweg.
Een
groot perceel gelegen achter de tramhalte aan de Rijksweg aan de
overzijde van de molen en cafe van Gradje Jacobs leek hoge ogen te
gooien. Driekus Janssen was echter de eigenaar. Zijn belangen
lagen bij een kerk aan de Zwarteweg. Door Maas (Lamers), de
buurvrouw van Driekus, gaf de eerste aanzet. Zij schonk voor de
bouw van de kerk een perceeltje grond aan de Zwarteweg. Toevallig
of niet, het was de vrouw die Driekus ooit het geld had geleend
voor de aanschaf van instrumenten voor de oprichting van de
fanfare dat op last van de burgemeester terug betaald moest
worden. Het werd in dank door het comite aanvaard maar te klein.
Voor f 2000 werd de er naast gelegen perceel van buurman Voss, die
er een winkel had, bij gekocht
Maar
toen uiteindelijk duidelijk werd dat er ook een school kon komen,
was alles toch nog te klein. Toen er inmiddels een bouwpastoor met
kerkbestuur was gevormd, werd aan de achterzijde 1 ½ ha grote
zandheuvel met kreupelhout bij gekocht. Hier had Hannes Arts (net-as-ok)
in een plaggehut gewoond. De vrijgezel was onder trieste
omstandigheden om het leven gekomen.
Het
perceel alleen al bood voldoende ruimte voor de bouw van de kerk
met kerkhof, school, pastorie en een patronaat. Er was een
probleem. Het lag
maar aan een karweggetje. Omwille van een goede bereikbaarheid
werd er over de perceeltjes aan de Zwarteweg een fraaie
toegangslaan bedacht. Het werd het Kerkelaantje genoemd. Later
werd het omgedoopt tot Pastoor Hoefnagelstraat. De mooie toegang
die zo ontstond zou later ook nog andere diensten bewijzen.
|
|
De
hand aan de schop
Na
de strijd voor een kerk en school en de verwerving van het terrein
waarop deze gebouwd konden worden, moest de hand daadwerkelijk aan
de schop. Dit was iets wat de Milsbekers door de jaren heen wel
geleerd hadden. Op de eigen keuterijtjes, bij de grote boeren in
de regio en op de steenfabriek in de Bloemenstraat waren ze wel
wat gewend.
Er
was, voordat er gebouwd kon worden, nog heel wat werk aan de
winkel. Het met kreupelhout begroeide terrein was wel geschikt
geweest voor de plaggehut van
de turfsteker “Net as ok”. Het was natuurlijk niet
zonder bewerking geschikt voor de bouw van een school en een kerk
voor Onze Lieve Heer. Voordat de eerste steen gelegd kon worden,
moest er nog heel wat gebeuren.
Er
moest een heleboel kreupelhout gehakt en gerooid worden. Met
bijlen werd de woestenij te lijf gegaan Vervolgens moesten de
stobben er met de schop uit gehaald worden. Het was hard werken.
Maar door het grondwerk zelf te doen konden de kosten van de bouw
van de eigen kerk flink omlaag gebracht worden.
Wat
op de
Milsbeek “Den berg van Net as ok” werd genoemd,
werd uitverkoren als de plek waar de kerk moest komen. De
verhoging in het terrein moest wel wat verlaagd worden. Er werd 2
meter afgegraven.
Bouwpastoor
Hoefnagels verkocht publiekelijk de houtopbrengst als brandhout.
Het overtollige zand werd grotendeels afgevoerd naar de dichtbij
gelegen Snepse Siep. Dat was een restant van een strang van de
Rijnarm die zich ooit vanaf het Ven langs de heuvelrug richting
Plasmolen had geschuurd. Hij was gelegen achter boerderij en
herberg
“De Snep”. Het watergat was behoorlijk diep want er
moet nog ooit nog iemand in verdronken zijn. Vijfenzeventig jaar
na dato bewijst de plek opnieuw een dienst aan de Milsbeekse
gemeenschap. Hier worden n.l. de
starterswoningen gebouwd voor de jonge Milsbekers die ook
een eigen bestaan op willen gaan bouwen.
Van
de opbrengst van het brandhout kocht Pastoor Hoefnagels sigaren.
Die werden na een dag noeste arbeid aan de vrijwilligers
uitgedeeld. Voor vele Milsbekers een ongekende luxe. Meer dan een
“shaggie” waren ze niet gewend.
Bouwheer
Hoefnagels paste ook al beloningsdifferentiatie toe. De Milsbekers
die met bijl en schop kwamen kregen voor een volle dag werken één
sigaar. Degenen die met kar en paard kwamen kregen er twee. Vele
dagen werden vol gemaakt. Het moet de bouwpastoor meer dan duizend
sigaren hebben gekost.
|
|
Wie
zal dat betalen?
Werken
en feestvieren dat konden de Milsbekers van begin vorige eeuw wel.
Maar een kerk en een school betalen is wel even wat anders.
Met
de school viel het allemaal wel mee. Dat werd na het raadsbesluit
door de gemeente en het rijk geregeld. De ouders van de kinderen
moesten schoolgeld betalen. Hoe minder je verdiende,
hoe minder je hoefde te betalen. De gemeenteraad van
Ottersum had daar in de twintiger jaren keurige tabellen voor
vastgesteld. De allerarmsten werd het zelfs helemaal kwijt
gescholden. En of je nu naar Ottersum of in Milsbeek naar school
kon gaan maakte geen enkel verschil. Dat viel dus allemaal wel
mee.
Voor
de kerk lag dat anders. De gelovigen moesten voor een belangrijk
gedeelte zelf de kosten ophoesten. Het officiële standpunt van
het kerkbestuur van Ottersum was dan ook steeds geweest dat de
Milsbekers de lasten en het onderhoud van een kerk, een pastorie,
een priester en een koster niet konden betalen. “Ga maar vast
sparen” had de deken op die gedenkwaardige avond op 29 augustus
1929 in het café van Gradje Jacobs de Milsbeekse gezinshoofden
geadviseerd.
Het
advies was niet aan dovemansoren gericht. Allerlei initiatieven
kwamen er uit de kokers van de 146 gezinnen. Genoemd werd al de
schenking van een inwoonster
van een perceel grond aan de Zwarteweg voor de bouw van de
kerk. Er kwam ook een schapenplan. Er werden lammetjes op Texel
gekocht. Ze konden door de inwoners worden geadopteerd om groot te
brengen. De opbrengst moet nog al tegen zijn gevallen. De
Milsbekers kregen daarmee de schaapjes voor een nieuwe kerk zeker
niet op het droge.
Na
de stichtingsakte en de benoeming van de bouwpastoor werd het
allemaal wat serieuzer. Hij begon met een schuld van f 2000,--
voor de grond die aan de Zwarteweg was bijgekocht.
De
Ottersumse moederkerk werd door het bisdom verplicht een duit in
het zakje te doen voor een kerk van de dochter. Ze kreeg
opgedragen een bedrag van f 8000,-- te storten. De eigendommen op
de Milsbeek bleven echter in Ottersumse handen, zodat de
pachtcentjes nog wel richting Ottersum bleven stromen. Ook de
provincie en de gemeente schoven af, respectievelijk f 4.000,-- en
f 6.500.
Bouwpastoor
Hoefnagels preekte in de Limburgse kerken en trok van parochie tot
parochie, in totaal 40 stuks. Voor het goede doel moet hij de
Milsbekers hebben afgeschilderd als een volkje van smokkelaars,
stropers en halve heidenen waar de bouw van een kerk en het
brengen van de christelijke boodschap heel hard nodig was.
|
|
Het
eerste kerkbestuur
Naast
een bouwpastoor moest er in de nieuwe parochie natuurlijk ook een
kerkbestuur komen. Hoe de voorbereiding en de samenstelling
daarvan plaatsvond kon niet achterhaald worden. Wel zijn de
notulen van de eerste vergaderingen bewaard gebleven.
Hieruit valt op te maken dat
Frans Kerkhoff, Piet van Benthum, Wim Hoenselaar en Hen ten
Haaf
(den Helsen Hen)
het eerste kerkbestuur vormden. Frans Kerkhoff was de
dorpssmid, de andere 3 waren Milsbeekse boeren. Wat daarbij opvalt
is dat geen enkele van de leden van het actiecomité, de
vrijheidstrijders van het eerste uur, hierin vertegenwoordigd was.
De
eerste vergadering werd gehouden in december 1930 in de tijdelijke
huisvesting van bouwpastoor Hoefnagels aan het adres Emmastraat
283 in Gennep. De tweede, op 6 januari 1931, in Milsbeek op het
adres van secretaris Frans Kerkhoff. Wie er aanwezig waren wordt,
net als bij de daaropvolgende bijeenkomsten, niet vermeld. Wel
wordt er in de 3e vergadering in februari al een nieuw
lid verwelkomd,
te weten Gerrit Koenen (Gerrit den Bok). Hij nam de plaats
in van Hen ten Haaf. Alhoewel de zeer summiere notulen er op geen
enkele wijze melding van maken, moet dit een gevolg zijn geweest
van een eerste conflict. De pastoor moet in de eerste vergadering
zo ongeveer gezegd hebben dat elke parochie wel een kerkbestuur
moet hebben maar dat een pastoor eigenlijk de baas is. Den Helse
Hen moet hels zijn geworden en gezegd hebben dat hij dan beter op
zijn eigen akker aan het werk kon blijven.
Uit
de notulen van januari blijkt ook dat er geprobeerd is de
bouwkavel voor kerk en school nog uit te breiden met grond van
Peters (Tinus van Nölleke) “wanneer de prijs redelijk is”.
Blijkbaar was die niet redelijk want tot aankoop is het nooit
gekomen.
In
februari blijkt dat er wel werk voor de kerkmeesters is. Zij
worden belast met het organiseren van de rondgang door het dorp
“voor het onderhoud van den dienstdoenden pastoor”, te weten
25 cent per communicant en 25 cent per bebouwde bunder grond.
De
kerkmeesters dragen het opgehaalde bedrag , zijnde 209,45 gulden,
in de vergadering van 3 maart af. Als moderne bestuurders
koppelden ze ook terug. De terugmelding is “dat over het
algemeen allen hun bijdrage hadden gegeven maar tegen het
bundergeld nogal bezwaar was gemaakt”.
Ook
verder werd er modern bestuurd want er werd besloten op 8 maart
voor de parochianen een voorlichtingsdag in café Jacobs te
houden.
Een
belangrijk besluit in de maartvergadering was verder architect
Coumans uit Nijmegen op te dragen een tekening voor de kerk en
school te laten maken.
|
|
De
architectuur
Architect
Jean Coumans kreeg dus de opdracht om een kerk met pastorie en
school
“te tekenen”. Hij was een streek- en leeftijdgenoot van
bouwpastoor Hoefnagels die hij kende uit zijn studietijd. Als
hoofdopzichter van een groot architectenbureau uit Roermond, kwam
hij bij de bouw van een kerk aan de Berg en Dalseweg in Nijmegen
terecht. Hij bleef hier wonen en vestigde zich er in 1925 er als
zelfstandig architect. De Milsbeekse kerk was de eerste kerk die
hij zelf ontwierp. Hij deed dat voor zijn studievriend Louis
Hoefnagels zonder honorarium. Later volgden nog de bouw van nieuwe
kerken in Wanssum en Middelaar. Grondige verbouwingen realiseerde
hij aan de kerken in Oostrum en de Molenpoort in Nijmegen, alsmede
de torens van de kerken van Winssen en Ewijk.
Zijn
opdracht in het Milsbeekse was het ontwerpen van een eenvoudig
landelijk kerkje voor de onder financiële zorgen gebukte
bouwpastoor. Naar buiten toe wist architect Coumans, ondanks de
beperkte middelen, toch een stijlvolle kerk met een liefelijk
uiterlijk te scheppen. Zelf is hij de Milsbeekse kerk altijd de
mooiste blijven vinden. De 30 meter hoge ranke klokkentoren steekt
fier uit boven het dorp en de omgeving. De kerk werd, zoals dat in
die tijd gebruikelijk was, ontworpen in de vorm van een Latijns
kruis. In tegenstelling tot veel andere kerken is ze met het
altaar niet naar het oosten gericht. Het midden- en het dwarsschip
worden in een fraai lijnenspel geflankeerd door lagere
dakelementen. Aan de ene zijde is hierin het priesterkoor en aan
de andere zijde het portaal met bid- en doopkapel ondergebracht.
In
een harmonisch geheel, werd de pastorie ontworpen. Aan de andere
zijde van de kerk ontwierp Coumans in harmonie met de vorm van de
kerk nog een overdekte poort die toegang zou gaan geven tot het
achter de kerk gesitueerde kerkhof. In het ontwerp waarvoor de
bouwvergunning werd verleend pronkte op
het
middenschip ook nog een klein klokkentorentje voor een
angelusklokje.
Jammer
genoeg werden, vanwege noodzakelijke bezuinigingen, deze beide
details nooit gerealiseerd. Ook ten aanzien van o.a. de
ramenpartij en de dakconstructie werden ten opzichte van de
verleende bouwvergunning blijkbaar nog bezuinigingen doorgevoerd.
De gemeente bezuinigde mee door geen legeskosten in
rekening te brengen.
Zowel
de kerk als de pastorie, en in iets mindere mate het wat later nog
door Coumans ontworpen patronaat,
zijn in hun samenhang nog in de mooie oorspronkelijke staat
te bewonderen. Doordat de grond op de hoek van Kerk- en
Schoolstraat uiteindelijk niet werd aangekocht, werd de ingang van
de school noodzakelijkerwijze aan de latere Schoolstraat
geprojecteerd. Architectonisch was de samenhang er aanvankelijk
nog wel degelijk, maar de bouw van café het Centrum en een
schoenwinkel op die grond, alsmede door de uitbreidingen die de
school onderging,
is die verloren gegaan.
|
|
De
bouwvergunning van de pastorie werd verleend op 13 mei 1931. De
vergunningen voor de kerk
en de school op 3 juli van dat jaar. Driekus van Bart (Lemmen) nam
de bouw van de pastorie aan voor een bedrag van f 7710,--. Hij had
zich kort daarvoor als zelfstandig aannemer in Milsbeek gevestigd.
De bouw van de school nam hij samen aan met zijn oudere broer Grad.
Die had in Middelaar al langer een aannemingsbedrijf. De bouw van de kerk was
“te hoog gegrepen”. Die werd gebouwd door aannemer
Geraedts uit Blerick. Bedongen werd wel dat tenminste een vijftal
Milsbekers in dienst moesten worden genomen. De kosten bedroegen f
38.000,--
In
de notulen van het kerkbestuur valt geen letter te lezen over
ontwerp, aanbesteding en uitvoering van de werkzaamheden van de
bouw van pastorie, school en kerk. Blijkbaar rekende pastoor
Hoefnagels het dus inderdaad alleen tot zijn verantwoordelijkheid.
Het enige wat te lezen valt is dat hij op 25 november 1931 de
kerkmeesters de gereedgekomen pastorie toont. Zij
“betuigen hun lof voor de degelijkheid en de goede
inrichting”.
Democratisch
of niet, pastoor Hoefnagels bleek een uitstekende bouwpastoor. Hij
zorgde er voor dat de
kosten binnen de perken bleven en de geldstroom ter bestrijding
daarvan in beweging bleef. Ook “de eerste steenlegging” werd
daar weer voor aan gegrepen.
“Gaat in grote getale op naar de Milsbeek op Zondag
16 augustus om 5 uur in de namiddag om uw medeleven hem te
toonen .Verlicht zijn zorgen door een aalmoes groot of klein. Gaat
uw steentje bijdragen”, luidde de smeekbede in de krant. Zij die
niet konden gaan, werden opgeroepen geld te storten op de girorekening
van pastoor Hoefnagels.
Met
deken Kreijelmans metselde hij in tegenwoordigheid van “een
onafzienbare rij jubelende parochianen, vrienden
en belangstellenden op plechtige wijze den gedenksteen”
(Rechts naast de grote toegangsdeur is deze te zien).
Ook voor de aanwezigen had Hoefnagels wat bedacht. Zij
konden symbolisch stenen kopen voor de bouw om zo hun steentje bij
te dragen.
De
opening van de school vond al op 1 december plaats. Een foto in de
Maas- en Niersbode toont dat een groot deel van het toen 800
inwoners tellende dorp op de speelplaats daar getuige van was. De
school diende ook nog even als noodkerk. De wand tussen de lokalen
3 en 4 kon voor dat doel open geschoven worden. Lopen in de
winterse kou naar Ottersum hoefde niet meer.
In
het boekje “Ottersum en haar kerk “ staat te lezen “dat men
in Ottersum niet meer wist wat hen over kwam toen de Milsbekers
weg bleven. Het werd akelig stil op de zondagen. Men had altijd op
ze neer gekeken maar toen ze niet meer kwamen was de gezelligheid
verdwenen. Men miste ze nu toch wel”.
|
|
Tijdens
de bouw van de school, begonnen de voorbereidingen voor de
inrichting en de personele bezetting. Voor
de inrichting werden 3 offertes gevraagd. Uiteindelijk werden 72
schoolbanken besteld (voor 120 zitplaatsen). Inclusief de andere
benodigdheden voor de meubilering en de schoonmaakartikelen
bedroegen de kosten f 1958,--. Aan leermiddelen werd f 2004,--
besteed. Op 22 oktober ging de bestelling de deur uit.
Ook
voor het poetswerk in de school werd er ingeschreven. De weduwe
van Schaijk uit Milsbeek bleek de laagste te zijn. Voor f 90,-- was ze bereid de school 2 keer per week te poetsen, in de
winter de kachel ’s morgens aan te maken en daarvoor ook nog het
benodigde hout te leveren. Het was wel heel erg weinig vond ook
het kerkbestuur. Het toonde haar sociale gezicht. Besloten werd namelijk
dat, wanneer de financiële toestand van de school het toe zou
laten, “de toelage” verhoogd
zou worden.
Er
werd ook een advertentie geplaatst voor een hoofd van de school.
Belangstelling was er genoeg. De kandidatenlijst voor
“liefhebbers voor hoofd der school” die in juli aan het
kerkbestuur werd voorgelegd was ongeveer 200 onderwijzers groot.
W. Hendrickx uit Beesel werd benoemd. Hij mocht vervolgens mee
beslissen bij de benoeming van de andere onderwijzers. Er werd
rekening mee gehouden dat er in Ottersum leerkrachten over
waren. Benoemd werden Mèster “Bendels”, want zo worden de
Bindelsen in Ottersum genoemd en “juf” Akkers. Beiden gaven al
in Ottersum aan de Milsbeekse kinderen les. Als 4e werd
benoemd de jonge juffrouw Smeets
uit Blerick. Hieraan was echter de conditie verbonden dat haar
benoeming alleen door zou gaan als het aantal leerlingen een 4e
onderwijskracht toe zou laten.
In
de voor-oorlogse periode bepaalde dit viertal het onderwijs in
Milsbeek. Meester Hendrickx kocht een perceel grond van de kerk op
de hoek van de Zwarteweg en de Pastoor Hoefnagelstraat en bouwde
hierop een door architect Coumans ontworpen woning. Hij werd niet
alleen onderwijzer maar ook organist en zanger in het kerkkoor. Na
de oorlog vertrok hij naar Nijmegen.
“Mester
Bendels”, bouwde een woning aan de Rijksweg. Hij werd een echte
Milsbeeker die zeer actief was voor de
Milsbeekse jeugd en de toneelverenging
ONA. Veel te vroeg, op 43-jarige leeftijd, stierf hij in
1944. “Juf” Akkers bleef daarentegen een echte Ottersumse ,
bleef daar ook wonen
en keerde na de oorlog uiteindelijk ook weer naar de Ottersumse
school terug .
Juffrouw
Smeets kwam in Milsbeek “in de kost”. Ze huwde later met
meester Holleman , een Ottersumse onderwijzer die vele jonge
Milsbeekse boeren landbouwonderwijs gaf. Kort voor de oorlog
vertrokken ze naar Indië (“de west”) . De eerste mutatie in het Milsbeekse
onderwijs was een feit.
|
|
De
kerk biedt volgens de bouwvergunning plaats aan “360 grooten en
154 kinderen”. De binnenzijde en de inrichting werden, uiteraard
omdat de uitgaven beperkt moesten blijven, heel sober gehouden.
Ook hier valt op dat er duidelijke
afwijkingen zijn ten opzichte van de tekeningen waarop de
bouwvergunning is verleend. De grootste besparing werd gehaald
door het middenschip te voorzien van op latten gestukadoorde
gewelven (schijngewelven). Er werden alleen gemetselde gewelven
aangebracht op de plaatsen die liturgisch het belangrijkst zijn, te
weten het priesterkoor, de zijaltaren, de doopvond en het
dwarsschip. Het dubbele gewelf van het dwarsschip werd overigens
tot een enkel gereduceerd. Verder valt het op dat op de
plattegrond de kindplaatsen helemaal rechts en links in het
dwarsschip waren gesitueerd. Van het begin af aan kregen die
echter een plaats vlak voor het priesterkoor en de communiebank.
Voor
Maria van Altijddurende Bijstand, de patroonheilige, werd het
zijaltaar aan de linkerzijde gesierd met een icoon van haar. In de
tachtiger jaren werd die echter bij een inbraak gestolen. Alle
wanden, en ook de
preekstoel, bestonden
bij de ingebruikname uit schoon metselwerk, eenvoudig maar fraai
in zijn eenvoud. Een orgel was de parochie in de eerste 30 jaren
nog niet rijk. De organisten moesten zich behelpen met een
harmonium.
Er
kwam voor de inrichting ook hulp van de moederkerk uit Ottersum.
De “moeder” die zich zo vol toorn had gedragen toen de dochter
het huis wilde verlaten, hielp mee met de inrichting. Er waren
allerlei materialen over tengevolge van de bouw en inrichting van
de nieuwe Ottersumse kerk. Enkele prachtige oude meubelstukken
daaruit verhuisden naar Milsbeek. Zo kwam een oude bidstoel met
het wapen van Mgr. Drehmanns,
bisschop van Roermond van 1900 tot 1913, richting Milsbeek.
Ook de uit 1884 daterende uit fraai houtsnijwerk bestaande
communiebank, ging die richting. Een onderdeel daarvan,
voorstellende de Emmaüsgangers,
wordt thans gebruikt als hoofdaltaar. Het resterende deel,
bestaande uit engelen met banderollen en vier doorgebroken panelen
met wijnranken, vormen nu nog de louter als sieraad dienstdoende
communiebank. De verlichting, en mogelijk ook de oude in
1953 vervangen kruisweg en een aantal oude kerkbanken, verhuisden
eveneens naar Milsbeek.
Rondom
op consoles, stonden oorspronkelijk allemaal in stijl bij elkaar
passende gipsen beelden. Alleen Jozef en de Heilige Antonius,
beiden met het kindje Jezus aan hun hand, sieren nog de kerk.
De anderen , voorstellende het Heilig Hart, de Heilige
Barbara, de Heilige Franciscus de Heilige Familie en het heilig
Hart van Maria hebben
helaas om onduidelijke redenen gedurende het 75 jarig
bestaan van de parochie het veld
moeten ruim. De kerststal, waarvan
pas onlangs de herkomst en waarde door het speurwerk van Chris
Janssen goed duidelijk werd, is gelukkig wel bewaard gebleven.
|
|
Een
koster-organist gezocht
Elke
parochie had een koster en een organist nodig. Ook Pastoor
Hoefnagels moest er dus naar op zoek. Bij de invulling van de
functie van hoofd van de school had het al een rol gespeeld.
Schoolhoofd Hendrickx had toegezegd tijdelijk wel organist te
willen worden. Hoefnagels ging vervolgens op zoek naar iemand die
de dubbelfunctie van koster en organist in kon vullen.
Op
de een of andere manier kende hij Thei Peters uit
‘t Ven. Thei deed z.g.
vooroefeningen in ’t leger en
had verkering met Mrie Krebbers, telg uit een bekende Wellse
zakenfamilie. De pastoor bood hen een perceel bouwgrond recht
tegenover de kerk aan om een woning met winkel te bouwen. Thei
moest dan wel bereid zijn om koster-organist te worden. Voor dit
laatste moest hij overigens nog wel opgeleid worden. De kerk zou
de kosten daarvan betalen. Alhoewel beide ouderlijke families
“in zaken gaan op de Milsbeek” absoluut niet zagen zitten,
wist Pastoor Hoefnagels Thei en Mrie te overtuigen om dit toch te
doen.
Maar
het noodlot sloeg al snel toe. Thei overleed in 1934 na een
kortstondige ziekte onverwachts op 29-jarige leeftijd. Joep, een
jongere broer van Mrie, werd vanuit Well naar Milsbeek gedirigeerd
om zijn oudere zus te helpen. Mrie toonde zich bereid met hulp van
haar broer het kosterschap op zich te nemen. 17 jaar lang vervulde
zij vervolgens als vrijwilligster het kosterschap. In Milsbeek
werd zij daarom algemeen Mrie de Köster genoemd. Vanwege zijn
hulp aan zijn zus verwierf ook broer Joep de bijnaam “Joep de Köster”.
Mrie
en Joep waren zoals gezegd telgen uit een bekende Wellse
zakenfamilie. Ondanks de aanvankelijke scepsis werden zij
geslaagde zakenmensen in Milsbeek. Mrie bouwde na het overlijden
van haar man Thei de winkel verder uit. Voor het regelen van
allerlei kerkelijke zaken moest men indertijd naar de koster. Mrie
zorgde er voor dat alles wat daarvoor nodig was bij haar te koop
was. Op die wijze had zij toch indirect haar voordelen aan het
kosterschap.
Nadat
buurman bakker Vic Geene was
gestopt, begonnen Mrie en Joep ook brood te verkopen. Aanvankelijk
werd dit aangevoerd uit Well en vervolgens zelf gebakken. Joep
trouwde later ook bij zijn zus in.
Na de oorlog bouwde hij
tegenover het patronaat een eigen bakkerij met winkel. Vele
jaren vormden Mrie en Joep een belangrijk element in het
Milsbeekse “winkelcentrum”.
Ook
voor het hoofd van de school liepen de zaken hiermee anders dan
verwacht. Een paar jaar als organist spelen in de kerk,
werden er uiteindelijk bijna 14. In 1946 vertrok hij uit
Milsbeek naar Nijmegen. De geboren en getogen Milsbekenaar Ties
Hubbers, die inmiddels tegenover hem ook een bouwperceel van de
kerk had gekocht en er een kapperszaak uitoefende, volgde buurman
Hendrickx op als
organist-voorzanger.
|
|
Feest
in Milsbeek
Onder
grote belangstelling van de inwoners vond op 30 januari 1932 de
plechtige inzegening van de kerk plaats. Om cira half 10 begonnen
de plechtigheden. Pastoor Hoefnagels verrichtte die voor de
samengestroomde parochianen. Ze zagen hun lang gekoesterde wens in
vervulling gaan. De pastoor droeg de H. Mis van Mitterer op met
behulp van een koor onder leiding van schoolhoofd Wim Hendrickx.
De plechtigheden van de inzegening waren daarmee ten einde.
De
zondag daarna was het een echte feestdag. Die dag werd Pastoor
Hoefnagels officieel geïnstalleerd. De Maas- en Niersbode:
“Milsbeek had een feestelijk aanzien door de erebogen,
vlaggetjes en versieringen die waren aangebracht. Toen het
aanvangsuur naderde kon men de massa, die van heinde en verre,
maar ook van de plaats zelve, was samen gestroomd, niet overzien
en was er op de Rijksweg geen doorkomen aan”. Tegen half 3 trok
men naar huize De Drie Kronen. Toen de auto, waarin Pastoor
Hoefnagels gezeten was, arriveerde,
werd hem door een herdertje de herdersstaf aangeboden.
Pastoor
Hoefnagels was ontroerd. Hij hield vervolgens een toespraak waarin
hij de Milsbekers voor
hetgeen zij gedaan hadden roemde en zei o.a. “Ik zag deze week
de bedrijvigheid , maar nu ik hier al die grootse versieringen zie
aangebracht en dat alles voor mij, dan voel ik mij gelukkig te
midden mijner parochianen. Ik zou niet gaarne meer van hier gaan
en mijn innigste wens is dan ook, om temidden waar liefde is, te
mogen werken als herder der parochie”.
Onder
begeleiding van fanfare Crescendo zette de machtige stoet zich in
beweging naar de nieuwe kerk. Voorop reden een groot aantal
ruiters, gevolgd door versierde fietsen, RKVV “Juliana”,
schoolgaande kinderen, fanfare Crescendo, bruidjes, pastoor
Hoefnagels met kerkbestuur, geestelijken en genodigden. Bij de
hoofdingang van de kerk werd de pastoor door Deken Kreijelmans
ontvangen waarna hem de sleutels der kerk werden aangeboden door
een bruidje.
In
het plechtige lof dat volgde hield eerst deken Kreijelmans een
predikatie. Hij roemde Pastoor Hoefnagels die nog maar 14 maanden
eerder de opdracht had gekregen hier een kerk te bouwen. En wat
zien we nu sprak hij: Een
kerkje, een rank torentje, enkele nieuwe gebouwen !!…. De
vruchten van noeste, opofferende arbeid. Ze staan daar rondom ’s
Heerenwoning gelijk een kudde schapen die zich om hun herder
scharen.
Aan
het einde van de plechtigheid hield Pastoor Hoefnagels zijn
predikatie. Hij zei dat hij de herder voor zijn (Milsbeekse) kudde
wilde zijn, Een herder die “zijn
menschenkudde wil weiden, en ze aan het eind des levens in
den eeuwigen schaapstal wil binnen voeren”.
De
Maas- en Niersbode sluit haar artikel met: Milsbeek heeft getoond
dat zij een eigen parochie niet kan missen”
|
|
De
eerste sacramenten
Sjaak
Jacobs trouwde enkele dagen na de inzegening op 2 februari 1932
als eerste in de nieuwe parochiekerk. Hij was een zoon van Gradje
de Mölder, een van de grote strijders voor een eigen parochie.
Een volbloed Milsbeeks huwelijk, want Sjaak trouwde met Truus
Janssen, dochter van “Jan den Ulling”. Het eerste huwelijk
werd een vruchtbaar huwelijk. Maar liefst 14 kinderen werden in de
loop van de tijd aan de nieuwe parochie toegevoegd. Alleen Wim en
Tonia Cobussen wisten later deze prestatie nog te overtreffen.
Hier werden 15 kinderen geboren, maar een van hun dochtertjes
stierf kort na de geboorte, zodat in beide gezinnen 11 jongens en 3 meisjes werden groot
gebracht.
Veel
van de parochieregisters zijn verloren gegaan. Het doopregister
heeft de oorlog echter overleefd. Daaruit blijkt dat in 1932 maar
liefst 17 personen werden gedoopt, 10 jongens en
7 meisjes. Op dit moment zijn er nog 10 in leven. Acht
daarvan daarvan zijn Milsbeek als woonplaats trouw gebleven.
Jan
Franken was de eerste die in de nieuwe parochiekerk werd gedoopt.
Dat was op 8 februari 1932. De plechtigheid vond plaats in de
onlangs weer in ere herstelde doopvont. Alle kinderen van de
lagere school mochten gaan kijken. Jan werd nog vaker de eerste. Zo werd hij de eerste Prins van de carnavalsvereniging en de
eerste chauffeur als knecht van Transportbedrijf Emons. De
eerstgedoopte zou een echte gemeenschapsman
worden. Ruim 20 jaar was hij vorst van de
carnavalsvereniging, commandant van de brandweer en voorzitter van
Milsbeek Vooruit. Vanaf de oprichting in 1963 is hij verder lid
van het Missiecomité, van 1968 af bestuurslid van de Stichting
gemeenschapshuis en17 jaar lang lid van de gemeenteraad.
Sacramentsdag
was vroeger een hoge feestdag.
Uitgebreid werd de wenselijkheid van het houden van een sacramentsprocessie in
1932 in het kerkbestuur besproken. Er werd besloten die te houden
op de zondag na het feest van het Heilig Sacrament. Vanuit de kerk
zou men langs de pastorie naar Van Schaijk (hoek Rijksweg/Zwarteweg)
trekken. Hier zou een rustaltaar worden opgericht. Van daar uit
ging het helemaal over de Zwarteweg naar Arts (hoek Zwarteweg/Ringbaan)
waar een 2e rustaltaar zou komen. Langs dezelfde weg
ging de tocht terug naar de nieuwe kerkweg (nu Pastoor
Hoefnagelstraat) alwaar
een 3e en laatste altaartje zou komen.
De
route zou nadien herhaaldelijk gewijzigd worden maar tot eind
zestiger jaren zou de
sacramentsprocessie met muziek en zang biddend door ons dorp
trekken. De aanwonenden versierden naast en op de weg de route met
vlaggetjes en bloemen. Ze richtten ook de rustaltaartjes in. Onder
de troonhemel toonde de pastoor de monstrans
met de hostie. Bruidjes strooiden de geplukte wilde
bloemetjes en een groot deel van de inwoners liep,
al dan niet in devotie biddend, mee.
|
|
Het
kerkhof
De
Milsbekers werden, voordat er een eigen parochie was, uiteraard
ook in Ottersum begraven. De laatste reis van vele Milsbekers liep
toen via de Lijkweg, een weg die vroeger een verbinding vormde
tussen de Horsestraat en de Goorseweg . Het monumentale
familiegraf van de
familie Linke vooraan op het Ottersumse kerkhof heeft nog een
Milsbeeks tintje. Deze
familie was in het begin van de vorige eeuw n.l. woonachtig in
villa Holly Lodge bij de “Drie Kronen”.
De
nieuwe parochie Milsbeek ging haar overledenen uiteraard in
Milsbeekse aarde begraven. De eerste begravingen vonden plaats
direct achter de kerk. Lenie van Bergen, het vroeg overleden
jongste dochtertje van Frans van Bergen van de Zwarteweg,
moet de eerste zijn geweest.
In
die eerste jaren moet de wildernis achter de kerk nog maar voor
een klein gedeelte gefatsoeneerd zijn geweest. Toen Thei Laemers
van de “Drie Kronen” in de eerste dagen van de parochie
Milsbeek zijn einde voelde naderen, moet hij de familie gevraagd
hebben hem niet in Milsbeek te begraven omdat hij niet zo eenzaam
wilde liggen. Zijn verzoek werd door de familie en de geestelijke
overheid ingewilligd.
In
1936 wordt besloten tot een verfraaiing. Het struikgewas wordt
gerooid en achteraan een lijkenhuisje gebouwd. Dat werd
voornamelijk gebruikt voor het opbergen van de baar en het
gereedschap. Een enkele keer, wanneer een lijk in een zodanige
staat verkeerde dat het niet in huis kon staan, is het ook als
zodanig gebruikt. Voor het overige werd de overledene vroeger tot
de begrafenis thuis opgebaard en werd er door de buurt gewaakt.
Het
lijkenhuisje werd met zand bedekt en afgewerkt tot een
calvarieberg waarop een kunstwerk met Jezus aan het kruis
werd geplaatst. Onder aan de voet werd een kinderkerkhofje
aangelegd. Na de oorlog werd het kerkhof uitgebreid via de aankoop
van een perceeltje grond van Kobus van Nölleke (Peters).
Grad
van Sis (Derks) van de Rijksweg was vroeger vele jaren de
grafdelver en Jan ten Haaf van de Kerkstraat maakte de kisten.
Vele graven zijn er in de loop van de tijd geruimd. Voor zover
bekend is het graf van de in 1934 overleden Thei de Köster
(Peters) het oudste nog aanwezige graf. Er liggen op dit moment
677, 9 zijn er
gereserveerd en 67 vrij.
Het
kerkhof biedt aan vele nabestaanden vertroosting. Er ligt
bovendien een stuk geschiedenis van ons dorp opgeslagen. Dwalend
over het kerkhof kun je herinneringen ophalen over dorpsgenoten
waarmee je een fijne tijd hebt mogen beleven in ons dorp.
|
Nadat
de kerk en de school gereed en in gebruik waren, stelde Pastoor
Hoefnagels in oktober 1932 het kerkbestuur voor om een patronaat
te bouwen. De kosten werden begroot op f 2600,--. De pastoor gaf
aan dat hij die kon betalen uit binnen gekomen (anonieme) giften.
Hij stelde voor het in eigen beheer te bouwen. Op die wijze zou
men aan een maximaal aantal inwoners werk kunnen verschaffen want
de crisistijd liet zich al voelen. De kerkmeesters gingen akkoord
en een aantal Milsbekers kon zo ook weer een boterham voor zijn
gezin verdienen.
In
februari ging de bouwlustige Pastoor nog verder. Hij kwam met een
plan om een woonhuis aan het patronaat te bouwen. De bedoeling was
om op die wijze een kamer te krijgen voor een op te richten KWJ en
om toezicht op het patronaat te hebben. Het werd door de
kerkmeesters
“in principe goed gevonden”. In latere vergaderingen
wordt er nooit meer een woord aan gewijd. Tot realisering is het
in ieder geval nooit gekomen.
In
het patronaat kwam het jeugdwerk via de Jonge Wacht tot bloei. Het
moeten vooral pastoor Hoefnagels zelf en meester Bindels zijn
geweest die veel in touw waren voor de Milsbeekse jeugd. Uit de
Jonge Wacht kwam de huidige toneelvereniging ONA voort. Het
patronaat met zijn podium was voor hen een prima accommodatie om
te oefenen en uitvoeringen te geven.
In
1938 kwam het houden van het Caeciliafeest in het patronaat aan de
orde. Tot dan werd dat in café Jacobs gehouden. Jacobs zou door
zijn actie voor de kleine boeren de parochie echter tegen werken.
Bovendien zou er een neutrale
krant (Nieuws van de Dag) in de café ter lezing liggen.
Besloten werd daarom “voor het Caeciliafeest aan hem voorbij te
gaan en dit te houden in het patronaat”.
Het
patronaat verleende door de jaren heen voor kerk en school
allerlei diensten. Het deed
ook wel eens dienst als tijdelijk schoollokaal. In 1943
waren er plannen voor de uitbreiding van de school naar 6 klassen.
Coumans maakte het plan om via de verbouwing van het kolenhok en
de overdekte speelplaats er 2 klassen bij te maken. Dat laatste
kreeg echter geen instemming. Besloten werd het patronaat
als 6e lokaal te gebruiken.
Na
de oorlog, waarin de kerk een behoorlijke oorlogschade had
opgelopen, deed het zelfs nog een tijdje dienst als noodkerk. Ook
de fanfare die aanvankelijk in café Jacobs en later café de
Zwarteweg resideerde, kreeg er het clubhuis.
In
1968 kwam er via het gemeenschapshuis een moderne variant op het
patronaat tot stand die veel van de functies overnam. De fanfare
en de tamboers bleven het patronaat trouw. Zij delen het gebruik
al vele jaren met Willie Hoesen.
|
|
|
|
Op
de pagina Publicaties
staan de vervolgstukjes.
|
|
|
|