|
19e
eeuw
Volgens
de oudste overleveringen, in 1970 opgetekend, moet er op de
Milsbeek in een particulier huis, gelegen over de Rijksweg, heel
lang geleden ("mar dè kan wel honderd jaor geleje
zien") onderwijs gegeven zijn. In het Ven moet rond die tijd
ook een dergelijk schooltje geweest zijn. Rond de jaren 1860
moesten deze zogenaamde "winkelschooltjes" echter
verdwijnen. Tot op dit moment is er weinig meer van bekend dan dat
de leerlingen in de wintermaanden zelf de turf mee moesten brengen
(gestoken op het Ven) om enigszins tegen de kou beschut te zijn.
Ook de naam van het "mèsterke" is niet bekend, alleen
had hij volgens overlevering een bult. De kinderen ontvingen in
hoofdzaak katechismus en ze leerden lezen. Het gevolg hiervan was,
dat jaren geleden hier waarschijnlijk mensen woonden, die wel
konden lezen naar niet schrijven. Deze edele kunst werd alleen
beheerst door geestelijken, notarissen en hun klerken,
onderwijzers
en ambtenaren.
Of
de schoolgaande Milsbeekse jeugd aanvankelijk zo ingenomen was met
het besluit van hun ouders om te proberen in het dorp zelf een
school te krijgen, vertelt de overlevering niet. Maar uit de
verhalen van hen, die zowel hier als in Ottersum de school hebben
bezocht, laat zich bijzonder gemakkelijk afleiden dat er door de
eigen school een brok avontuur, vooral te beleven op de weg terug
naar huis, werd weggenomen. Tollend of bandelend over de Rijksweg,
soms als een troep mussen aan de kant verdwijnend voor een
toevallig passerende auto, die even later in een grote stofwolk
verdween, vechtend tegen de Panoven, en dan de weg langs de
Onderkant. Dat alles was verleden tijd. Ook meester Smeets, die
hen per fiets en gewapend met het stokje, een eindweegs huiswaarts
begeleidde, waarbij een of andere belhamel (en die waren er bij
die Milsbekers toen ook al) vóór zijn fiets op terug moest naar
school, verdween uit hun dagelijks leven. Maar ook de minder
prettige dingen, zoals de eerste gang naar de school in Ottersum,
waar veel kinderen dan voor het eerst kwamen, het eten van (in de
winter) bevroren boterhammen en in de zomer uitgedroogde, die
onder de pomp nat werden gemaakt (drinken werd er niet meegenomen)
behoorden tot het verleden.
Met
het in gebruik nemen van de school op 1 december 1931 kwamen er
twee leerkrachten
uit Ottersum mee naar Milsbeek: meester Bindels en juffrouw
Akkers.
Als hoofd van de nieuwe school was benoemd W.G.A. Hendrickx uit
Baarlo.
De eerste klassertjes kregen juffrouw Smeets.
Vermeldenswaard
is in elk geval, dat de nieuwe school vanaf het begin bestemd was
voor jongens en meisjes. En dat was een zeldzaam verschijnsel in
die dagen in onze streken. Het was natuurlijk noodgedwongen, maar
het tijdstip in aanmerking genomen, werd hierdoor een
schoolsfeer geschapen, waarbij Milsbeek de omliggende dorpen, met
uitzondering van Middelaar, dertig tot vijfendertig jaar voor is
geweest. Tot het voorjaar van 1956 had de school wel gescheiden
speelplaatsen voor jongens en meisjes.
In
januari 1932 werd er door het kerk- en schoolbestuur
bij de gemeente een aanvraag voor vergoeding (bij de wet
verplichte bijdrage in de kosten van het geven van onderwijs)
ingediend voor 130 leerlingen. De f 5,12 per leerling lijkt
ons nu natuurlijk bijzonder weinig. Het is dan ook
verbazingwekkend wat een schoolbestuur
daarmee in
die jaren kon doen.
Het onderwijs, vooral in de
hogere
klassen, werd voor bijna alle leerlingen sterk veranderd. In
Ottersum was dit hoofdzakelijk gericht op de landbouw, hier werden
er vanaf het begin pogingen in het werk gesteld meer algemeen
onderwijs te geven om de mogelijkheid te scheppen voor het
volgen van verder onderwijs, zoals de ambachtsschool in Nijmegen
en de Mulo in Gennep. De crisisjaren zijn er mogelijk
grotendeels schuld aan, dat slechts enkele leerlingen zo'n verdere
studie afmaakten. Bovendien vonden vele ouders alleen "het
boerenwerk" werken. Als een jongen (over verder onderwijs
voor meisjes werd nog bijna niet gesproken) een vak wilde gaan
leren zei de volksmond: "Laot 'm toch gaon werreke!". In
de meeste gezinnen was dit ook broodnodig om het karige loon uit
die dagen wat aan te vullen.
Rond
de nieuwe school was het één grote wildernis. Toch is een stuk
van deze wildernis jarenlang sterk verbonden geweest met de
ontwikkeling van de Milsbeekse jeugd: het speelveldje. Met het
enthousiasme, de jeugd aller tijden eigen als ze maar gestimuleerd
wordt, ging men al spoedig over tot het egaliseren van dat stuk
woeste grond, waarop lange tijd nog een beetje gymnastiek werd
gegeven en heel veel werd gevoetbald. Met veel vrijwilligers
maakte men dit terrein "bespeelbaar", hierbij trouw
terzijde gestaan door de muilezel van Vic Geenen, om zodoende de
door Pastoor Hoefnagels beloofde goals en voetbal te kunnen gaan
gebruiken. De eerste voetbalschoenen werden verdiend met het
aloude vakantiewerk: het plukken en verkopen van "walsbère".
In
het patronaat kwam het jeugdwerk van de grond. Dat patronaat is
overigens volgens de overlevering bijna helemaal gebouwd
dank zij een grote gift van een rijke dame, die vond dat het arme
Milsbeek dit wel waard was. De
Jonge Wacht begon aan een tijdperk van grote bloei. Er stond ook
een groot biljart en het lijkt niet onwaarschijnlijk, dat hier de
oorzaak te vinden is van de latere grote belangstelling voor deze
sport.
Gedurende
de oorlogsjaren ondervond ook het onderwijs op allerlei manieren
de gevolgen van de bezetting. Na de evacuatie, voor vele kinderen
een of meer jaren verlies, was er van de leer- en hulpmiddelen
weinig over dat nog te gebruiken was. De lokalen, zonder
vloeren, de ramen met plastic bekleed, vroegen om snel herstel.
Toch duurde het minstens tot 1946 alvorens het onderwijs een
beetje verantwoord op gang kwam. Tegenwoordig is het
onvoorstelbaar
onder welke omstandigheden toen een school draaiende gehouden
moest worden.
Vele
leerkrachten kwamen en gingen, velen maakten promotie, anderen
zochten hun heil buiten het onderwijs of buiten de weinig kans
op promotie biedende dorpsschool.
Intussen
was er, op initiatief van pastoor Reintjes, in september 1948 in
een noodwoning aan de Langstraat, gestart
met 'n kleuterschool, die gesubsidieerd werd door parochie,
gemeente, boerenleenbank en bijdragen van de ouders. De eerste
leidster, juffrouw Hoenselaar, heeft hier de eerste jaren haar
moeilijke, maar dankbare werk verricht onder abominabele
omstandigheden, zowel wat huisvesting, financiering als salariëring
betreft. De lagere school had in 1955 bij het vertrek van de
opvolger van de heer Hendrickx, de heer W. Janssen nog steeds
vier vaste leerkrachten en één tijdelijke, die gehuisvest was op
het toneel van het patronaat. De vergoeding per leerling was in de
loop der jaren verhoogd tot
f 26,70. Hiermee konden alleen de
allernoodzakelijkste
kosten bestreden worden. Sponzendozen, leien en griffels waren
verdwenen. De
waterpomp bij het kolenhok en de grote kolenkachels, die naar het opschrift de
hele winter branden zonder uit te gaan, stonden er nog. De W.C.'s waren buiten, maar droegen
toen hun naam met ere. Zij waren sinds enkele jaren met de komst
van de waterleiding voorzien van waterspoeling.
In
augustus 1955 werd begonnen met de eerste uitbreiding van de
lagere school en ook met de bouw van een nieuwe kleuterschool. Dit
laatste was mogelijk, omdat op 1 januari 1956 de nieuwe wet op
het kleuteronderwijs in werking zou treden. Bij de lagere school
kwamen een nieuw lokaal, een hal met een personeelskamer, twee
toiletgroepen in het oude kolenhok en een handenarbeidruimte, die
vanaf die tijd bijna constant als extra klaslokaal dienst heeft
gedaan. De kleuterschool, een van de eerste scholen die gebouwd
werd onder de nieuwe wet en dus gefinancierd werd door de
gemeente, kreeg één werklokaal en één speelwerklokaal,
toiletgroepen, een bergruimte en een leidsterkamer. In het hele
complex kwam volautomatische oliestookverwarming. Het was
jammer, dat een verzoek van het schoolbestuur om de bestaande
lokalen te moderniseren werd afgewezen. Alleen de oude lampen
mochten vervangen worden door T.L.-verlichting.
Het
eerste gesprek over een accommodatie voor het onderwijs in de
lichamelijke opvoeding vond reeds plaats in 1957. Op dezelfde
dag werden deze vage plannen ten gemeentehuize doorgesproken met
de burgemeester. Hier werd de idee geboren pogingen in het werk te
gaan stellen om te komen tot de bouw van een gymnastiekzaal in
combinatie met 'n verenigingsgebouw. Het zou meer dan tien jaar
duren voordat dit werkelijkheid zou worden.
Voor
het onderwijs waren de tien jaren tussen 1956 en 1968 vrij rustige
jaren. Het vervolgonderwijs breidde zich sterk uit en bood tot dan
toe ongekende mogelijkheden.
Er
kwam reeds in 1957 een oudercomité, één der eersten in de
regio, wat in die jaren belangrijk werk deed bij buitenschoolse
activiteiten voor de jeugd (koninginnedag, jeugdvakantiewerk,
voetbaltoernooien, vliegerwedstrijden, schoolreisjes enz.).
Verouderde
methodes werden gaandeweg vervangen door aan de nieuwe visies
aangepaste. Speciaal het taalonderwijs, te beginnen met het
aanvankelijk leesonderwijs, had met het oog op verder studeren
duidelijk voorrang.
Het
toenemend aantal leerlingen van "over de Rijksweg" en
het steeds drukker wordende verkeer leidden tot de instelling van
het instituut "verkeersbrigadiers" in 1958. Tot 1977
hebben vele 6e klassers, jongens en meisjes, als oudsten van de
school dit werk meer dan uitstekend gedaan.
Vanaf
1962/1963 was de school constant te klein. Met veel kunst en
vliegwerk werd er geprobeerd de ingezette ontwikkelingen bij te
benen. De bouw van een nieuw lokaal, het verplaatsen en de
uitbreiding van de toilettengroepen, nieuwe ramen, nieuw meubilair
en een totale opknapbeurt van alle lokalen tijdens de winter van
67-68 was een gigantische operatie. Er kwamen o.a. twee klassen op het
handenarbeidlokaal, een klas in de hal en in de hoofdenkamer.
Met deze verbouwing verdwenen bijna de laatste specifieke
kenmerken van de school uit 1930, te weten de granieten goten voor de
opvang van het regenwater druppend uit de jassen, waaronder de
klompen werden geplaatst. Ook de oude genummerde kapstokken werden
vervangen.
In
1968 werd de gymzaal in het gemeenschapshuis in gebruik genomen.
Het kerkschoolbestuur dat bijna 40 jaren de bestuurlijke
verantwoording gedragen had voor kerk en school werd veranderd.
Het onderwijs kwam op 1 januari 1969 onder het bestuur van de
Stichting Katholiek Onderwijs Milsbeek. Een verandering, die voor
het onderwijs en de leerlingen op dat ogenblik nauwelijks
waarneembaar was. Toch viel deze verandering duidelijk samen met
het begin van de roerige zeventiger jaren van het onderwijs in
Nederland, die ook het onderwijs in ons dorp niet onberoerd hebben
gelaten. Het schooljaar 69-70 betekende voor het onderwijs in de
lichamelijke opvoeding de uitbreiding met zwemlessen in het nieuwe
overdekte bad in Gennep.
De
bouw van de nieuwe kleuterschool in 1970 (3 lokalen plus een
kleuterspeelzaal, leidsterkamer etc.) gaf aan de lagere school de
broodnodige uitbreiding van nog eens twee lokalen van de in
55-56 gebouwde kleuterschool. De verbindingsdeur tussen kleuter en
lagere school was de aanzet tot de wettelijk nog steeds niet
gerealiseerde integratie van kleuter- en lager onderwijs. De
contacten tussen de twee scholen waren vanaf die tijd veel
gemakkelijker en werden natuurlijk ook intensiever.
In
1973 werd er, na voorbereidingswerkzaamheden door het
aannemersbedrijf de Haan, in één dag een compleet semi-permanent
lokaal bij de kleuterschool geplaatst. In 1974 volgde de bouw van
weer een lokaal bij de lagere school. Ondanks de enorme inzet en
de grote toewijding, waarmee leerkrachten en bestuur het onderwijs
dienden, was de waardering niet algemeen. De school (speciaal de
lagere school) bood nog te weinig mogelijkheden naar het inzicht
van een aantal ouders. Het gevolg was een soort minischoolstrijd,
die de gemoederen enige tijd danig heeft bezig gehouden. De gevolgen zijn,
gelukkig
voor alle betrokkenen, niet van blijvende aard geweest.

|